Opheffen verjaring geeft meer ellende

Slachtoffers van seksueel misbruik willen erkenning. Maar het strafrecht is daarvoor niet het geëigende instrument. Doe een beroep op het schadefonds, meent A.M. van Kalmthout.

Nu na Ierland en Duitsland ook in Nederland de beerput van misbruik van kinderen op katholieke scholen en internaten zich begint te openen, kan het niet uitblijven dat de roep bijval krijgt om de daders alsnog voor de rechter te brengen. BNR liet luisteraars aan het woord om zich uit te spreken over de stelling dat seksuele misdrijven evenals oorlogsmisdaden niet zouden mogen verjaren.

Op dit moment verjaren deze wel na 12 jaar en bij de zwaarste vormen van seksuele misdrijven is de verjaringstermijn 20 jaar. Anders dan bij andere misdrijven begint deze termijn niet te lopen vanaf de datum waarop het misdrijf is gepleegd, maar pas vanaf het moment dat het slachtoffer meerderjarig is geworden.

Niet ontkend kan worden dat veel slachtoffers pas op latere leeftijd naar buiten komen. Vaak gebeurt dit pas als het besef doordringt dat zij niet de enigen waren die dit overkomen is. Dat verklaart waarom, als de deksel van de beerput geopend wordt, er ineens zoveel mensen naar buiten treden. Terecht vragen zij om begrip en erkenning. Daarbij past een genoegdoening – financieel, maar ook immaterieel – door degenen die hun dit hebben aangedaan en door de instanties onder wier vlag dit alles heeft plaatsgevonden en decennialang is toegedekt.

Of de slachtoffers ook daadwerkelijk gebaat zijn bij het opheffen van de verjaringstermijn, mag sterk worden betwijfeld. De suggestie klinkt sympathiek. Zij doet recht aan de roep om de daders hun straf niet te laten ontlopen. Die berechting en bestraffing, zo luidt de veronderstelling, kan bijdragen aan de door het slachtoffer gewenste erkenning.

Naar mijn mening worden de mogelijkheden van het strafrecht in deze overschat. Naarmate meer jaren verstrijken tussen de datum waarop misbruik heeft plaatsgevonden en een eventueel strafproces is nauwelijks een heilzame werking van een berechting te verwachten.

Als belangrijkste probleem zie ik de bewijslevering. Ook nu al is, met name bij seksuele misdrijven als ontucht, het bewijs vaak moeilijk te leveren. Menig slachtoffer voelt zich na een strafproces waarin de dader niet veroordeeld kan worden wegens gebrek aan bewijs, nog ellendiger dan voorheen. Hoe zal het dan niet zijn als een dergelijk proces pas plaatsvindt na veertig jaar?

Het strafrecht stelt dwingende eisen aan de bewijslevering. Als de verdachte ontkent, zal het bewijs in veel gevallen niet te leveren zijn. En veel verdachten zullen ontkennen. Ofwel omdat ze er niet publiekelijk in een strafproces voor willen uitkomen, ofwel omdat ze het verdrongen hebben, maar ook omdat in een aantal gevallen de feiten niet zijn gepleegd, zoals ze worden voorgesteld. Ook dat is geen uitzondering en ook daar heeft het strafproces rekening mee te houden.

Het strafproces te doorstaan is voor het slachtoffer vaak al een martelgang, laat staan als dit ook nog uitmondt in een vrijspraak. Dit betekent dan opnieuw een open wond voor het slachtoffer.

Dit is dan ook een van de belangrijkste redenen dat de wetgever verjaringstermijnen heeft vastgesteld. Een andere reden is dat met het verstrijken der jaren ook de doelmatigheid van de bestraffing afneemt. Een groot deel van de potentiële verdachten is inmiddels bejaard of hoogbejaard, voorzover al niet overleden. Welke straf kan dan nog het slachtoffer voldoende genoegdoening verschaffen?

Veel slachtoffers zijn ook niet uit op vergelding en bestraffing, maar willen vooral erkenning voor wat zij door het misdrijf hebben moeten doormaken. Die erkenning wordt niet verschaft door het strafrecht, maar dient uit andere bron te komen. Zo is het al mogelijk om een beroep te doen op het Schadefonds Misdrijven en kunnen schadeclaims worden ingediend bij de instanties onder wier verantwoordelijkheid de misbruiken hebben plaatsgevonden. Sommige instanties hebben zich daartegen zelfs verzekerd. Het valt niet te verwachten dat deze instanties het zullen wagen om zich te beroepen op de civielrechtelijke verjaringstermijn.

Het gaat evenwel niet alleen om financiële compensatie. De behoefte aan erkenning gaat veel dieper en moet meer omvatten dan een openlijk ‘mea culpa’ door de kerkelijk instanties. Ook de instelling van een onderzoekscommissie naar de omvang en aard van de seksuele misbruiken binnen de kerk is niet voldoende.

Naast deze ‘waarheidscommissie’ is er ook behoefte aan een ‘verzoeningscommissie’. De Waarheids- en Verzoeningscommissie, die jaren geleden in Zuid-Afrika heeft weten te realiseren, wat het formele strafproces nooit voor elkaar zou hebben gekregen, zou een lichtend voorbeeld voor de Katholieke Kerk kunnen zijn om recht te doen aan de gerechtvaardigde roep van de vele slachtoffers van het seksuele misbruik door kerkelijke dienaren, om gehoord en erkend te worden.

A.M. van Kalmthout is hoogleraar vrijheidsbeperking in het vreemdelingen- en strafrecht aan de Universiteit van Tilburg.