Keuze Bos en Eurlings duidt op achterlijkheid

De keuze van Eurlings en Bos is geen teken van emancipatie, maar gevolg van een ‘glazen tussenwand’ tussen werk en gezin, zegt Peter Cuyvers.

Twee mannen stappen uit de politiek om meer tijd aan hun gezin te besteden. Een tamelijk uniek fenomeen, dat in diverse media al is betiteld als een hoogtepunt van emancipatie. Helaas is dat niet zo. Eerder integendeel – en wel om twee redenen: een reden ‘van links’ en een reden ‘van rechts’. De reden van rechts ligt in de idealisering van het gezin, de reden van links in de demonisering van het gezin. Die redenen komen samen in wat je de ‘glazen tussenwand’ kunt noemen, de volstrekt kunstmatige scheiding tussen gezin en werk waarin Nederland zich onderscheidt van vrijwel alle andere moderne westerse landen.

De overgang van een agrarische naar een industriële samenleving betekende dat het levensonderhoud buitenshuis verdiend moest worden, dat werk en gezin niet meer met elkaar zouden samenvallen. Dat betekende dus ook dat er structurele oplossingen moesten komen voor de zorg- en opvoedingstaken die daardoor in het gedrang zouden komen. Nederland heeft lange tijd gekozen voor een model dat met drang of zelfs dwang vrouwen thuis hield.

In reactie op die valse idylle van kostwinner en huisvrouw sloeg men aan de progressieve zijde juist door naar de andere kant. Dat verzet was terecht, maar bleef steken op een nogal elitair niveau, door het idealiseren van betaald werk ten koste van het ouderschap. Werken was immers identiek aan ontplooiing, gezin aan vertrutting. Een elitair standpunt, omdat voor de overgrote meerderheid van de vrouwen – en mannen overigens – werken niet veel met ontplooiing te maken heeft, maar met het verdienen van het levensonderhoud. Maar het salonfeminisme slaagde erin het gezin zeer effectief te demoniseren.

De kern van de kwestie is dat progressieven en conservatieven het er in de afgelopen decennia volstrekt over eens zijn dat gezin en werk volledig gescheiden dienden te worden. Hoe sterk dit in de praktijk werkt maakte ik zelf mee als staflid van – nota bene – de Nederlandse Gezinsraad. Het bestaan van mijn echtgenote en kinderen, werd in feite systematisch volkomen genegeerd, juist ook bij de zogenoemde ‘sociale’ aangelegenheden. Al snel kwam ik erachter dat deze houding kenmerkend was voor het hele publieke circuit. Het bestuur van de Gezinsraad vond het een absurd idee dat ik mijn gezin – op eigen kosten – zou meenemen als ik voor de zoveelste keer in het weekend naar een EU-conferentie moest.

Juist in het buitenland kon ik scherp zien hoe absurd, maar vooral ook hoe onaangenaam die typisch Nederlandse anti-gezinshouding is. Eten met je kinderen in een restaurant in Italië, Duitsland en zelfs Frankrijk is een feest, in Nederlandse restaurants zijn kinderen een ongewenste diersoort, om een klein voorbeeld te noemen.

Die cultuur is precies de reden waarom het in Nederland voor een politicus onmogelijk is om een beetje een gezinsleven over te houden. In de eerdergenoemde moderne westerse landen is het volstrekt geaccepteerd dat politici hun gezin meenemen op een dienstreis. Er zijn ambtswoningen voor premiers en presidenten, faciliteiten waardoor gezinnen in de buurt van de parlementen komen wonen, en uiteraard voorzieningen voor het gezin om mee te gaan op dienstreizen. Dat is niet meer dan logisch, ten minste als je gezin en werk als complementair beschouwt. Maar de glazen tussenwand tussen privé en werk, tussen gezinsleven en arbeidsleven, leidt hier tot Kamervragen zodra een premier zijn vrouw en dochter ook maar één keer in de zes jaar meeneemt op een dienstreis.

Kortom, de keuze van Bos en Eurlings is geen teken van emancipatie maar van de achterstand die Nederland heeft in de modernisering van de samenleving. Een achterstand die zich uit in een kunstmatige, maar helaas ook zeer rigide scheiding tussen werk en gezin, zowel fysiek als psychologisch.

Peter Cuyvers is pedagoog, zelfstandig adviseur jeugd- en gezinsbeleid en auteur van het boek ‘Het proletarische gezin, de toekomst van de vrouwelijke kostwinner’.