Ieren walgen van'een tsunami van misbruik'

Het katholieke Ierland worstelt met kindermisbruik door katholieke geestelijken.

Hoe kan het dat paters en nonnen decennialang ongemoeid hun gang gingen?

Father James McNamee was een erg populaire geestelijke. „Kinderen verdrongen zich om hem heen als een troep duiven rond een voederplaats. Hij was een Franciscus van Assisi, een enorm charismatische persoonlijkheid”, zegt een van zijn slachtoffers.

Maar McNamee baadde graag naakt met de jongetjes van de voetbalclub Stella Maris en later, in zijn privézwembad, met een select groepje misdienaars. In de arme Crumlin Road-wijk in Belfast wisten alle kinderen dat je met pater McNamee – ‘Father Smack-my-gee’ – moest uitkijken, maar de Kerk liet hem twintig jaar lang zijn gang gaan.

Father Edmondus, zielzorger in Our Lady’s Hospital for Sick Children, misbruikte daar stelselmatig meisjes van 8 tot 11 jaar en werd voor het eerst betrapt toen hij afbeeldingen van kindervagina’s liet ontwikkelen in Engeland. De foto-ontwikkelcentrale sloeg alarm en pater Edmund moest zich verantwoorden.

De bisschop accepteerde zijn uitleg: dat de geestelijke alleen uit anatomische nieuwsgierigheid had gehandeld: „Ik kom uit een gezin met alleen zonen.” De toevoeging dat de foto’s niet hadden geleid tot „me suffering a physical disturbance in myself”, stelden eveneens gerust. Dat was in 1960. Father Edmund kon nog meer dan dertig jaar meisjes misbruiken. De kerk wist van dit gedrag, maar achtte zijn verwijdering uit verschillende posten „a bit harsh”.

Het zijn maar twee van de duizenden voorbeelden uit drie rapporten, samen duizenden pagina’s, die zijn verschenen over kindermisbruik door paters en nonnen. De gevallen gaan terug tot de jaren vijftig en duren voort tot minstens 2004.

Ierland, het meest katholieke land van Noordwest-Europa – het land waar de Rooms-Katholieke Kerk bijna de staat zelve is, waar katholieke politici routineus met de Kerk overleggen over onderwijs, gezondheidszorg en bovenal over moraliteit – datzelfde Ierland walgt nu van de Kerk en van wat er uit haar naam gebeurde.

Het is niet alleen de wreedheid van de nonnen op school of in de kindertehuizen – die behoorde al zo’n beetje tot de nationale folklore. Het is evenmin alleen het (seksuele) misbruik door pastoors en broeders van vooral jongetjes, hoe langdurig en wijdverbreid ook. Het is vooral de manier waarop de Kerk wist van deze „tsunami van misbruik” en toch wegkeek. Om vóór alles de eigen reputatie en macht te beschermen.

In de kerkelijke wetgeving (canon law) geldt sexual interference with a minor al vanaf de vroege Middeleeuwen als de ergste misdaad die een dienaar van die Kerk kan begaan. De Murphy-commissie (genoemd naar haar voorzitter), die in december rapport uitbracht, zegt dat de Kerk decennialang én haar eigen kerkelijke wetgeving niet toepaste én haar uiterste best deed het Ierse strafrecht buiten de deur te houden.

De aartsbisschop van Dublin greep ter verdediging naar management-jargon: de Kerk zou vanaf het eind van de jaren negentig on a steep learning curve zijn. Maar de commissie gelooft daar niets van. Ze is vernietigend in haar oordeel en wijst erop dat de Kerk al in 1987 een verzekeringspolis afsloot die haar moest compenseren in geval van claims van seksueel misbruik. De kerkelijke organisatie is daarom, in haar woorden, „ontkennend, arrogant, uit op verhulling, incompetent, vervuld van onbegrip, vol machtsvertoon en achterbaks”.

En of dat nog niet genoeg is: „Haar hang naar geheimhouding, het tot iedere prijs vermijden van een schandaal, de bescherming van de reputatie van de kerk en van haar bezittingen, dat alles ging ten koste van het welzijn van kinderen en van gerechtigheid voor de slachtoffers.”

Hoe kwam die Kerk zo machtig? Machtiger dan bijvoorbeeld in katholiek Nederland? Voordat de rest van West-Europa zich met het eiland bemoeide, lag Ierland ver weg en geïsoleerd. Het merendeel van de bevolking was arm. De Ieren waren bovendien – tot 1923 – onderdrukt geweest door een protestantse overheerser: de Britten. In die omstandigheden was de Rooms-Katholieke Kerk eeuwenlang onbetwist het toevluchtsoord van de armen, de wegwijzer naar een zalig bestaan na de dood. Zij ontfermde zich over onderwijs, over zorg voor de zieken en zwakken in de samenleving en ging daarin haar eigen, van God gegeven, gang.

Nog steeds heeft deze Kerk in het aartsbisdom Dublin alleen al 477 nationale scholen, 189 middelbare scholen, ze leidt een Catholic Youth Care-programma met kindertehuizen en ambachtsscholen, ze is de baas over cross care services to the poor (waaronder bejaarden en gehandicapten) en ze heeft een aantal bureaus voor huwelijksadvies en familiezorg. Haar positie was zo verweven met die van het ontstaan van de staat Ierland zelf, dat haar status tot voor kort uitdrukkelijk in de grondwet werd omschreven en beschermd.

Net als vroeger in Brabant en Limburg stuurde elk gezin een zoon die een beetje kon leren naar de priesteropleiding. Dat was een eer voor de familie. Een dochter of zoon in het klooster of een kind bestemd voor de missie was bovendien naar natje en droogje verzorgd. En een mond minder om te voeden. Het was óf dat, óf emigreren naar Amerika.

Voordat deelname aan de Europese Unie het land ontsloot en door de Keltische Tijger-economie van de jaren negentig de bomen tot in de hemel leken te reiken, ging het met de Rooms-Katholieke Kerk in Ierland als met alle gesloten instituten waarin geen licht van buiten komt. Of het nu gaat om tehuizen voor demente bejaarden of voogdij-instellingen, gebrek aan toezicht van buitenaf geeft directies alomvattende macht, vaak met desastreuze gevolgen. „Haar status”, zegt het Murphy-rapport over de positie van de Kerk in Ierland, „was zo dat precies daarom de staat geen actie durfde te ondernemen.”

De ontkerkelijking was ook in Ierland al begonnen, voordat in 1992 de eerste misbruikte misdienaars hun moed bij elkaar raapten en naar de media liepen om hun verhaal te doen. De uitkomst van alle beroering rond de wanpraktijken van de Kerk en de manier waarop zij haar dienaren daarin beschermde, is nog niet duidelijk.

Vier bisschoppen zijn al vertrokken vanwege hun aandeel in de verhulling van wat er gaande was, een vijfde houdt halsstarrig vast aan het „ik heb persoonlijk niets verkeerds gedaan” en zit, zolang het duurt, nog op zijn bisschoppelijke zetel. Volgens het nieuwe beleid van de Kerk wordt nu bij verdenking van misbruik ogenblikkelijk de politie ingelicht. In sommige gevallen is er een schadevergoeding betaald; deels uit de verzekering van 1987, deels door de misbruikers zelf.

De bisschoppen zijn bij de paus op het matje geroepen, dezelfde Heilige Vader die als kardinaal Ratzinger in Rome al tientallen jaren over informatie beschikte die tot ingrijpen had moeten leiden. En de paus heeft zijn spijt uitgesproken, de wandaden in de Ierse Kerk geweten aan „verzwakking van het geloof” en een pastorale brief in het vooruitzicht gesteld.

Deze week komt Benedictus XVI met zijn brief aan de Ierse katholieke bevolking in reactie op het misbruik. Die zal dienen als richtlijn voor de aanpak van schandalen elders.

Voor een buitenstaander lijkt het allemaal wel erg mager. Maar de Ieren – of ze nu naar de kerk gaan of niet en of ze nu walgen van het instituut of niet – zijn doordesemd van wat de Kerk hen heeft toegediend. Kijk naar de groep slachtoffers die zegt een pastorale brief niet te zullen accepteren. Die ook niet in de eerste plaats geïnteresseerd is in een financiële compensatie. Zij willen maar één ding: een ontmoeting met de paus als die in september een officieel bezoek brengt aan Engeland. Hij moet dan het onrecht erkennen dat hen is aangedaan. Alleen dat gebaar brengt blijkbaar een vorm van genoegdoening.