Debatteren of vuilbekken

Als iemand me tien jaar geleden had gevraagd wat ik vond van een cartoon waarop de profeet Mohammed wordt afgebeeld als een hond met een mensenhoofd, had ik gezegd: „Smakeloos, bah.” Wie me dat nu vraagt, zou ik hetzelfde antwoord willen geven. Maar goeie kans dat ik zeg: „Moet kunnen.” Want ik wil niet de indruk wekken dat ik zwicht voor dreigementen.

Klimaatverslechtering verandert je van iemand die hecht aan goede smaak in een man die zich niet laat intimideren. Omgangsvormen worden iets voor watjes, vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor vuilbekkerij. En publieke vernedering en een verminkend knieschot worden voorgesteld als legitieme vormen van ordehandhaving. Partijen die vanouds de multiculturele samenleving omhelsden, slaan een hardere toon aan. Dat is terecht als het gaat om rotjochies die buschauffeurs en ambulancepersoneel bedreigen. Maar het ongewenste randverschijnsel wordt onvoldoende onderscheiden van de nieuw-Nederlandse hoofdstroom.

Afgelopen vrijdag repte de kandidaat-lijsttrekker in zijn sollicitatierede meer dan eens van een ‘fatsoenlijke samenleving’. Gewaagd hoor. Fatsoen is de afgelopen decennia gedevalueerd tot iets truttigs en onoprechts, een kreet van huichelachtige burgermannetjes. Dat komt ook door de etymologie: het Franse façon slaat vooral op de vorm, op uiterlijk vertoon. Maar geleidelijk is de betekenis verschoven naar ‘goede manieren in de maatschappelijke omgang’. Die goede manieren zijn er in twee soorten. De ene is een vormelijke variant, die opnieuw de kop opstak bij de wezenloze discussie over handen schudden. De andere is een morele, zelfs een geloofskwestie: de kunst van het samenleven.

De lijsttrekker moet zich straks handhaven in een guur klimaat. Dat zal wel lukken, want wie over fatsoen durft te beginnen is niet bang. Niet voor tegenstanders die hem wegzetten als ‘theedrinker’. En ook niet voor mensen die zijn debatteerkunst in twijfel trekken omdat hij ooit een politieke straatvechter terechtwees wegens ‘grievend’ taalgebruik.

Hé, het tij keert. Ik kom zowaar weer op voor goede smaak.

Dirk Vlasblom