Wouter Bos is opgestapt en de vraag is: wie volgt?

Partijleider Wouter Bos van de PvdA doet niet mee aan de Kamerverkiezingen en stapt uit de politiek. Zijn vermoedelijke opvolger Job Cohen vertrekt met onmiddellijke ingang als burgemeester van Amsterdam. Er gaan dagen voorbij dat de politiek voor minder opwindend nieuws zorgt dan gisteren het geval was.

Dat was ook de dag waarop Mark Rutte tot lijsttrekker van de VVD werd aangewezen en politiek Nederland eigenlijk bezig was met de herdenking van de donderdag overleden Hans van Mierlo, oprichter en oud-partijleider van D66. En dat kort nadat bekend was geworden dat minister Camiel Eurlings (Verkeer en Waterstaat) zich uit de politiek terugtrekt en dus niet meer als de kroonprins van premier en CDA-leider Jan-Peter Balkenende kan gelden. Bij al dit nieuws komt vandaag waarschijnlijk nog de mededeling dat de SP-partijraad Emile Roemer, die als fractieleider de net opgestapte Agnes Kant is opgevolgd, als lijsttrekker voordraagt.

Bos, tot voor kort vicepremier en minister van Financiën in het kabinet-Balkenende IV, heeft privéredenen aangevoerd voor zijn vertrek. Hij wil meer tijd aan zijn gezin besteden. Dat is uiteraard zijn goed recht. Bos is twaalf jaar actief geweest in Den Haag: als Tweede Kamerlid, staatssecretaris van Financiën, fractieleider en minister, en hij was bijna acht jaar politiek leider van de PvdA. Hij heeft op zijn manier de publieke zaak dus geruime tijd gediend.

Als minister van Financiën verwierf hij respect – ook van zijn politieke tegenstanders – voor de wijze waarop hij de kredietcrisis trachtte te pareren. En hij nam ingrijpende maar noodzakelijke beslissingen zoals het voorlopig in staatshanden brengen van grote banken. Door de val van het vierde kabinet-Balkenende, mede als gevolg van de opvattingen van Bos en zijn partij over Uruzgan, en door zijn vertrek zal het een onbeantwoorde vraag blijven hoe hij de economische en financiële crisis verder zou hebben bestreden.

De aanpak daarvan zal wel de belangrijkste opgave worden voor het volgende kabinet, dat vermoedelijk slechts na een moeizame formatieperiode tot stand zal komen. Als de peilingen werkelijkheid worden, zal het vormen van een kabinet dat op een werkbare meerderheid in de Tweede Kamer kan rekenen, een heidens karwei worden.

Om die reden zitten er ook voordelen aan het opstappen van Bos, die na de val van het kabinet duidelijk liet blijken dat hij zijn buik vol had van regeren met het CDA. Zoals premier Balkenende het ongeloofwaardig noemde als zijn partij opnieuw met de PvdA in een coalitie zou stappen. Maar de politieke realiteit kan straks weleens anders zijn. Dan kan blijken dat het, omwille van de regeerbaarheid van Nederland, onverantwoord is als CDA en PvdA elkaar op voorhand uitsluiten. Letterlijk doen ze dat niet, maar wel vormen hun leiders een sta-in-de-weg voor dergelijke coalitievorming.

Vormden, moet nu worden gezegd voor wat betreft de PvdA.

Er is niets mis mee als partijen elkaar op programmatische gronden niet kunnen vinden, maar wel als dat gebeurt als gevolg van de humeuren van de leiders. Het zou dus wenselijk zijn als Balkenende, net als Bos sinds 1998 Haagse politicus, óf op zijn woorden terugkomt óf het voorbeeld volgt van zijn voormalige vicepremier en plaatsmaakt. Het zou wel zo eerlijk en duidelijk zijn als het een óf het ander voor de verkiezingen gebeurt en niet erna.