Tekenen van waanzin

In het Kröller-Müller museum toont beeldhouwer Joost van den Toorn vanaf vandaag kunst van schizofrenen, autisten, psychopaten en andere ‘outsiders’. ‘In wezen is elke kunstenaar een beetje schizofreen.’

Als zestienjarige zou Joost van den Toorn (1954) samen met vijf andere scholieren een lsd-trip maken. Maar op het afgesproken tijdstip kwamen zijn vrienden niet opdagen en slikte hij zelf alle zes pillen.

Het werd een hallucinerende ervaring die zijn leven blijvend veranderde, vertelt de beeldhouwer in zijn huis annex atelier, een voormalig gymnastiekgebouw in Zaandam. „Al trippend maakte ik een wandeling. Toen ik bij een hek kwam en daaroverheen wilde stappen, sprak een man mij aan. ‘Dit is mijn tuin’, zei hij streng. ‘Jouw tuin?’ antwoordde ik. ‘Hoe kun je dat zeggen? Mij is niks gevraagd toen dat hek om dit stuk aarde werd gezet.’”

Dat krijg je met geestverruimende middelen, zegt Van den Toorn. Je wereldbeeld kantelt. De vastgekoekte software raakt los. „Na die trip moest ik denken aan wat ik eerder over indianen had gelezen. Hoe zij lachend land en rivieren verkochten aan kolonisten. Wat een grap, vonden ze, de grond is toch van iedereen? Na die lsd-ervaring besefte ik dat indianen niet zo achterlijk waren als ik eerst dacht.”

Andere wereldbeelden, daar heeft Joost van den Toorn na zijn lsd-trip belangstelling voor gehouden. Als beeldend kunstenaar, als lezer en als filmliefhebber, als beoefenaar van de Japanse krijgskunst aikido, en ook als verzamelaar. Zo bezit hij een kist vol met oude koppensnellerzwaarden van de Dajaks, een volk uit de binnenlanden van Borneo. „Onze maatschappij verkeert in een labiel evenwicht”, zegt hij. „Ik hou van cultuuruitingen die vragen stellen over hoe stabiel we zelf zijn.”

Van den Toorn is een succesvol beeldhouwer, die de afgelopen decennia in binnen- en buitenland exposeerde en tientallen beelden voor de openbare ruimte maakte. Een fiks deel van het geld dat hij daarmee verdiende besteedde hij aan kunst van talentvolle autisten, schizofrenen, psychopaten, landlopers en andere zogeheten ‘outsiders’. „Goede kunst is zo zeldzaam”, zegt hij, „dat je er beter ook op minder voor de hand liggende plaatsen naar kunt zoeken. Niet alleen ver weg, maar ook aan de zelfkant van de maatschappij.”

Geestelijk gestoorde kunstenaars passeren volgens hem vaak grenzen waar het weldenkende deel van de mensheid halt bij houdt. „In de beste gevallen levert dat compromisloze kunst op die kan wedijveren met de beste kunst in musea.”

Van den Toorn is zeker niet de enige liefhebber van outsiderkunst. Werk van de bekendste outsiders brengt op veilingen soms tonnen op. Toch laten bijna alle gevestigde musea voor hedendaagse kunst dit type kunst over aan gespecialiseerde instellingen. Blij was Van den Toorn daarom met de uitnodiging van het Kröller-Müller museum in Otterlo om zijn collectie outsiderkunst te tonen in combinatie met zijn eigen beelden. Tot de zomer hangen 85 werken van 32 voor het merendeel psychiatrische patiënten onder hetzelfde dak als tientallen schilderijen van Vincent van Gogh. Heel toepasselijk, zegt Van den Toorn. „Van Gogh gold vroeger ook als een outsider.”

Tijdens een rondleiding door zijn huis en atelier waar de muren vol met tekeningen hangen, geeft Van den Toorn uitleg over outsiderkunst. Het gaat om kunstenaars die vaak dwangmatig tekenen en schilderen, vertelt hij. Dat doen ze uit innerlijke behoefte, uit angst, uit verdriet, uit verlangen, uit een obsessie en ook wel als therapeutische bezigheid. Er zijn outsiders die geen leegte kunnen verdragen en daarom hun vellen en doeken vullen met stippeltjes- en lijnpatronen, versieringen en plattegronden, zoals de beroemde Zwitser Adolf Wölfli.

De Duitser Wolfgang Hueber doet het tegenovergestelde: hij tekent rauw met potlood een enkele figuur die als in een stuiptrekking opgevouwen op de grond ligt. Zijn landgenoot Theo – achternaam onbekend – portretteert steeds de achterlijk ogende Hitler in een operetteachtig kostuumpje vol medailles. En aan de andere kant van het outsiderspectrum staat dan weer de Poolse landloper Nikifor, ook in de collectie van Van den Toorn opgenomen, die behalve dorpsgezichten en landschappen ook kerkinterieurs aquarelleert met zichzelf in het middelpunt, als paus of priester.

Of het nu Hitlers, priesters, landschappen of geometrische lappendekens zijn, outsiders halen met potlood of penseel vaak iets uit waar ‘normale’ kunstenaars niet op zouden zijn gekomen. Ze doen dat soms ruig en onbezonnen, waarachtig en onnavolgbaar.

Komen de hallucinaties van drugsgebruik in de buurt van de wanen die outsiders verbeelden? En waarom wil een jongen van zestien aan de lsd? „Uit nieuwsgierigheid”, zegt Van den Toorn. „Ik ben van de generatie na de hippies, die dat soort middelen tot cultstatus hadden verheven. Reizen in je hoofd door middel van een pilletje leek me interessant. Het was mijn droom om ontdekkingsreiziger of uitvinder te worden. Twee jaar heb ik farmacie gestudeerd. Daar ben ik mee gestopt omdat ik geen marmotten kon opensnijden. Toen heb ik me aangemeld bij de Gerrit Rietveld Akademie in Amsterdam, als uitvinder. Op de kunstacademie is mijn belangstelling voor kunst gewekt.”

Heeft u nog vaker lsd geslikt?

„Nee, nooit meer. Wel heb ik een keer hallucinogene paddenstoelen gegeten. Dat was tijdens een stageopdracht voor de kunstacademie. In 1978 ging ik drie maanden naar Mexico om de Maya-tempels in kaart te brengen. Met een kompas, een hakmes en waterzuiveringspillen trok ik in mijn eentje de jungle in. Ik wist dat daar hallucinogene paddenstoelen werden verkocht. Dat leek me interessant. Op die tempelreliëfs had ik eerder een Maya gezien die in meditatiehouding op zo’n paddenstoel zat te kauwen.

„Ik kocht een zak van een halve kilo en at er een paar van op. Na een uur voelde ik nog niks. Ik ben genept, dacht ik. Omdat die paddenstoelen goed smaakten, ongeveer als rauwe champignons, heb ik de zak daarna leeg gegeten. Daar ben ik vervolgens zeer van in de war geraakt. Uiteindelijk kwam de politie op me af, gewapend met een paar touwen. Een Amerikaanse toerist heeft me gered. Hij legde me uit hoe ik de politie kon omkopen.

„Tijdens die trip heb ik fantastische dingen meegemaakt. Door die paddenstoelen viel ik terug in de tijd. Ik heb Maya’s ontmoet, maar ook Bach en Beethoven. Als ik sprak, kwamen er prachtige vormen uit mijn mond. En hout was mijn sterrenbeeld, ik dacht dat ik altijd zou blijven drijven.

„Vermoedelijk ben ik maar een paar uur weggeweest, maar het leek wel een jaar, de tijd was oneindig. Sindsdien weet ik dat alles om mij heen illusie is, dat er andere werelden bestaan, dat we zelf poeier zijn en dat er geen ervaring is zonder God. Dat klinkt religieus, maar dat ben ik beslist niet.”

Wat heeft die tweede trip u geleerd?

„Ik had God ontmoet en was niet bang meer voor de dood. Als kunstenaar ben ik daarna voor het eerst kleur gaan gebruiken. Later is de impact van die spirituele middag in Mexico nog sterker geworden. Begrijp me goed: ik wil niemand aanzetten tot zulke trips. Ik besef ook dat ik geluk heb gehad, dat het slecht had kunnen aflopen.

„Toch heeft dat avontuur veel bijgedragen aan mijn denkwereld. Ik raakte los van het leven dat ik daarvoor had. Zet de radio eens aan en luister naar het politieke gekrakeel. Volkomen oninteressant. Eén zo’n letterlijk fantastische ervaring is genoeg om dat te beseffen. Het was net als met die lsd-trip: als je de echte Micky Mouse eens uit de struiken hebt zien komen, heeft Disneyland daarna iets lulligs.”

Wat spreekt u zo aan in het werk van outsiderkunstenaars?

„Ik voel verwantschap met sommige outsiders. Hun thematiek – seks, dood, religie en dwang – is ook de mijne. Het werk wringt ook vaak, doet een beetje zeer. Ik hou niet van artistiek, van virtuositeit. Ik hou van kunst die moet, die direct is. Outsiderkunst laat vaak een wereld zien die minder oppervlakkig is dan onze succescultuur.”

Wat mankeert er aan onze succescultuur?

„In Japan heb ik eens drie maanden aikidoles gehad van de oude shinto-priester Sasaki. Hij gaf training in zitten. Aan het einde van iedere les mochten zes grote kerels proberen dat kleine mannetje om te duwen of op te tillen. Dat lukte niet. Na vijftig jaar training kon Sasaki zich zo ontspannen, dat hij anderen zijn wil kon opleggen. Hij had decennialang geïnvesteerd in iets wat in onze ogen waardeloos is. Maar had hij met dezelfde energie een florerend bedrijf opgezet, dan was hij in onze ogen een held geweest.

„In Nieuw-Guinea had je duizend volken met allemaal een eigen taal en een eigen wereldbeeld. Doodzonde dat dat verdwijnt en plaatsmaakt voor de McDonald’s-cultuur.

„Ik houd van losers, van mensen die liever een spiegeltje hebben dan een breedbeeldtelevisie. ”

Waarom negeren bijna alle gevestigde musea outsiderkunst?

„Over outsiders wordt vaak beweerd dat ze zich niet ontwikkelen, dat ze altijd hetzelfde doen. En ze communiceren niet, ook dat is een verwijt van conservatoren. Tja, ze hebben niet zoals Jeff Koons economie gestudeerd en vervolgens met uitgekiende marketingstrategieën en een team van medewerkers hun werk aan de man gebracht.

„Tekenen is voor veel outsiders hun enige communicatie. Ook dat maakt hun werk interessant. Zelf trek ik niet zulke scherpe scheidslijnen tussen outsiders en reguliere kunstenaars, tussen gek en niet-gek. Tussen bijvoorbeeld Harald Stoffers (een Duitse autist die dagelijks brieven aan zijn moeder schrijft, red.) en een gevestigd kunstenaar als Jan Schoonhoven zit voor mij niet zoveel verschil. Beiden zijn dwangmatig hun eigen wereld aan het creëren.

„In wezen is elke kunstenaar een beetje schizofreen. Creativiteit heeft veel weg van een psychose. Sterker nog, enige mate van psychose is een voorwaarde voor het kunstenaarschap. Al zijn er uiteraard grenzen. Want als je fantasie groter wordt dan je realiteitsbesef, dan kom je in een gekkenhuis terecht.”

Hoe dun zijn de scheidslijnen tussen gek en niet gek?

„Heel dun. Ik ken gewone kunstenaars die met dezelfde angsten kampen als outsiders. En van dichtbij weet ik hoe weinig er voor nodig is om in een inrichting te belanden. Mijn oom Joost was klerk van beroep. Op een dag werd hij gearresteerd op verdenking van fraude. Pas toen een paar weken later bleek dat zijn baas in de kas had gegraaid, werd hij vrijgelaten. Oom Joost kwam thuis en boog uit woede een koperen ledikant dubbel. Er was een draadje in zijn hoofd geknapt. Hij werd in Santpoort opgesloten en is daar nooit meer uitgekomen.

„Outsiders zijn voor mij de hardcore van de beeldende kunst. Ze zitten op smalspoor en werken dwangmatig. Al geldt dat dwangmatige ook voor veel andere kunstenaars. Je zou een prachtige tentoonstelling kunnen maken met het werk van Francis Picabia en Martin Kippenberger, twee gevestigde kunstenaars, en Adolf Wölfli, de Zwitserse outsider. Wölfli is iemand die op papier als het ware zit. En met dat zitten bedoel ik mediteren. Hij zit en zit en zit maar, en gaat steeds verder de diepte in.”

Veel outsiders uit uw collectie stammen uit de tijd voor de grote ontwikkelingen van de psychofarmaca. Wat hebben medicijnen voor de outsiderkunst betekend?

„De Zwitserse medicijnenfabrikant Ciba heeft onder artsen eens een boekje rondgestuurd met tekeningen die psychotische patiënten maakten vóór en na medicatie. Het was bedoeld als reclame voor de medicijnen, om te laten zien hoe de patiënten daarvan opknapten, wat een normale tekeningen ze door de pillen gingen maken. Maar kunstliefhebbers waren alleen verrukt van hun psychotische tekeningen.

„De laatste decennia zijn geweldige farmaceutische ontwikkelingen gerealiseerd. Sommige psychotische patiënten zijn door medicijnen uit hun lijden verlost. Een zegen voor die mensen. Een ramp voor de kunst. Geef kunstenaars librium en wat je te zien krijgt, is niets bijzonders.

„Het belangrijkste aan kunst is het plezier dat een kunstenaar eraan beleeft. En dat plezier herken ik in het werk van outsiders, ook bij degenen die zonder medicatie leefden. Van Van Gogh is vaak gezegd dat hij zo’n vreselijk leven heeft gehad. Ik denk dan: als je zulke schilderijen maakt, valt het wel mee. Door te schilderen bestaat de kunstenaar. En er zijn, jezelf realiseren, dat maakt gelukkig.”

‘Joost van den Toorn en de outsiderkunst’ is tot 20 juni te zien in het Kröller-Müller museum in Otterlo. Zie ook www.kmm.nlT/m 2 april zijn de nieuwste beelden van Joost van den Toorn te zien in galerie Tanya Rumpff in Haarlem. Zie ook www.galerietanyarumpff.nlIn Galerie Atelier Herenplaats in Rotterdam is tot 4 april de tentoonstelling ‘Gugging from Vienna’, met werk van de kunstenaars uit de gelijknamige psychiatrische inrichting. Zie www.herenplaats.nl