'Na zijn terugkeer was hij anders'

Cecile Kuijpers (1959) is de jongste van acht kinderen. Haar vader pakte zijn koffers toen zij nog een baby was. ‘Niemand wist wat hij had meegemaakt.’

‘Meneer Kuijpers had aanzien in het dorp. Hij had een eigen aannemingsbedrijf en zat in het bestuur van de kerk en de bank. Hij had tien kinderen; Rikus, de oudste, was voorbestemd om hem op te volgen. Rikus had verkering met Cor, boerendochter uit hetzelfde dorp. Na school ging hij op kamers in Tilburg wonen om zijn aannemersdiploma te halen.

„Tijdens de Arbeitseinsatz in 1942 besloten Rikus en zijn jongere broer om voor de Duitsers te vluchten. Hun vader had een schuilkelder onder zijn boerderij, maar de jongens wilden verder weg: liftend en lopend gingen ze helemaal naar Parijs. Cor wist ervan, maar had gezworen om niemand iets te zeggen.

„Eind 1943 bereikte Rikus in zijn eentje de Pyreneeën. Zijn broer was al eerder afgehaakt en teruggekeerd. Rikus werd aangehouden; als alleen reizende Nederlander was hij verdacht. Hij werd in een trein vol Fransen naar concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd.

„Zes weken na de bevrijding was Rikus opeens terug in het dorp. Hij hervatte zijn werk in het bedrijf van zijn vader en verloofde zich met Cor. Ze trouwden, betrokken het huis tegenover de zaak en kregen in ruim tien jaar acht kinderen. Ik ben de achtste; mijn moeder was veertig toen ik kwam. Ze was loeisterk.

„Niemand wist wat mijn vader in Buchenwald precies had meegemaakt, maar na zijn terugkeer was hij anders, een beetje verknipt. Hij was erg naar binnen gekeerd en spookte soms ’s nachts rond. Hij liep als trotse vader achter de kinderwagen, maar kreeg nog voor mijn geboorte een verhouding met een getrouwde vrouw uit het dorp. Daarna begon hij een affaire met een armlastige alleenstaande vrouw in Amsterdam. Toen mijn moeder weigerde om haar bij ons te laten intrekken, zoals mijn vader voorstelde, heeft hij zijn koffers gepakt. Ik lag nog in de wieg.

„Voor opa Kuijpers was het vertrek van mijn vader een groot gezichtsverlies. Echtscheiding kwam in het dorp niet voor en mijn opa was zijn opvolger kwijt. Mijn vader werd de toegang tot het dorp ontzegd. Zelfs op de begrafenis van mijn opa, jaren later, was hij niet welkom.

„Bij ons thuis werd er niet over mijn vader gesproken. Als ik mijn moeder naar hem vroeg, zei ze: ‘Die is op reis’, en dan kwamen er meteen tranen. Alleen Harry, mijn op een na oudste broer die mijn vader nog bewust heeft meegemaakt, zocht hem af en toe op. Toen ik een jaar of vijftien was, nam hij me voor het eerst mee.

„Mijn vader woonde in Bergen, in een groot, net huis met paarden erbij. Daar schrok ik wel van, want bij ons was het een beetje armoe troef. Mijn vader had nooit iets voor ons hoeven betalen, omdat opa Kuijpers mijn moeder onderhield.

„Tot mijn twintigste heb ik gedacht: wat een vreselijke man moet jij geweest zijn. Hoe kun je zo bij je vrouw en je kinderen weggaan? Maar naarmate ik meer over het verleden te weten kwam, groeide mijn begrip. Nu denk ik dat ons gezin en zijn positie in het dorp ook benauwend voor mijn vader geweest zijn. Het was een man met een groot hart, maar hij zat klem. Door zijn ervaringen in het kamp was hij niet meer in staat om zich echt aan een ander te binden.

„Voor mijn moeder was en bleef mijn vader de enige. Ze is altijd in hun liefde blijven geloven, terwijl ze ons juist leerde om onafhankelijk te zijn. Mij moedigde ze aan om verre reizen te maken en niet te snel te trouwen. Ze had een vrije geest. Ik vind het ook niet naïef dat ze tot haar dood gek is gebleven op de man die haar had verlaten. Ik vind dat juist sterk.”

Onder de trap is een muziekhoekje: piano, twee violen, een lessenaar. Voor haar man en haar dochter, glimlacht ze terwijl de koffie sist. Zij luistert alleen.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl