In het stemhokje gaat het om het rolluik versus de bakfiets

Electorale geografie maakt goed zichtbaar dat de sociaal-culturele segregatie ook een ruimtelijke segregatie is. Dé manier om die tendens te bestrijden is niet door méér maar door slimmer te bouwen.

Werkt voor het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks aan een publicatie over electorale geografie. Hij is tevens masterstudent Internationale Betrekkingen aan de Universiteit utrecht.

Wordt het straatbeeld gedomineerd door bakfietsen, ja/nee-stickers op brievenbussen en gevelplanten aan 19de-eeuwse woningen? Grote kans dat GroenLinks hier de grootste partij is. Zie je veel rolluiken, protserige witte hekwerken, bordjes met ‘hier waak ik’, opgepimpte VW Golfjes en, als je naar binnen kijkt, SBS op de buis? Dan is de kans groot dat de PVV hier goed scoort. D66’ers verraden zich met NRC Handelsblad bij het oud papier en Saabs en Volvo’s op straat, terwijl een CDA’er zijn stoepje sneeuwvrij maakt en met een schuin oog kijkt of de buren dat ook doen. Waar vroeger religie en sociaal-economische positie het stemgedrag bepaalden, tekent zich nu steeds meer een politieke tegenstelling af op basis van culturele en lifestylekenmerken. Deze is geografisch goed zichtbaar, zowel op de kaart als op straat. Het levert interessant materiaal op voor sociaal-geografen en sociologen, maar roept ook vragen op over de (on)wenselijkheid van deze segregatie.

Electorale geografie is een nog weinig ontwikkeld vakgebied in Nederland, in tegenstelling tot de Verenigde Staten. Dat heeft alles te maken met het kiesstelsel: er wordt gesproken over een ‘rood’ en een ‘blauw’ Amerika, en partijen weten hun kiezers nauwkeurig te vinden. Deze tegenstelling is steeds meer cultureel geworden en snijdt dwars door oude sociaal-economische tegenstellingen heen; met blauwe, Democratische steden en kusten en een dieprood gekleurd Republikeins binnenland. Ook de Nederlandse partijen zouden electorale geografie veel meer kunnen uitbuiten. Het CDA slaagt hier vooralsnog het beste in. Deze partij komt consequent op voor de middenklassegezinnen in de provincie en kan altijd op een vaste kiezersgroep rekenen. Andere partijen willen te graag iedereen bereiken. Zo benadert de PvdA de PVV-stemmer met veel begrip, waardoor ze vervolgens verliest aan D66 en GroenLinks. De VVD kampt met een vergelijkbaar probleem.

De hoofdtegenstelling is die tussen een open, nieuwsgierige stroming die gericht is op vooruitgang, tegenover een monoculturele, conservatieve en meer gesloten cultuur die gericht is op behoud. Het rolluik symboliseert deze tweede stroming, de hippe bakfiets de eerste. De SP plaatst zich daarbij vaak aan de conservatieve kant, terwijl veel VVD’ers en GroenLinksers zich goed in het eerste beeld kunnen vinden. We zien dan ook een geografische samenhang tussen enerzijds D66-, GroenLinks- en VVD-stemmers en anderzijds CDA-, SP- en PVV-stemmers. Dit uit zich in een verschil tussen noord en zuid, tussen stad en platteland, tussen groei- en krimpgebieden en tussen hoger- en lageropgeleiden.

De nieuwe tegenstelling leidt tot nieuwe kiezersbewegingen, waarbij partijen als PvdA en VVD aan twee kanten leeggezogen worden. En dat is zichtbaar in de geografie; bij de Europese verkiezingen afgelopen juni liepen kiezers in VVD-bolwerken als Amsterdam-Zuid over naar D66, terwijl men in Almere voor de PVV koos. En zo wist de PVV naast VVD-gemeenten ook SP-bolwerken als Heerlen te veroveren. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart herstelden de VVD en de PvdA zich weliswaar iets, maar het globale beeld van de nieuwe tegenstelling blijft intact.

Het onderzoeksbureau Motivaction heeft de verschillende lifestylegroepen in beeld gebracht. Het maakt onderscheid tussen sociale milieus met traditionele, moderne of postmoderne waarden. De ‘traditionelen’ stemmen gemiddeld vaker CDA, ‘modernen’ PVV, terwijl GroenLinks het goed doet onder postmodernen. Men heeft verschillende denkbeelden, waarden en wensen, die leiden tot ander stemgedrag en een andere woonvoorkeur. Rijke en arme PVV-aanhangers willen dat ‘Nederland weer Nederland wordt’, zonder moskeeën en verkeersdrempels. GroenLinksers smullen echter van de Turkse bakker. Voor hen is verder de nabijheid van openbaar vervoer en van culturele voorzieningen van belang, terwijl PVV’ers zich ergeren aan hoge parkeertarieven, ‘afwijkende’ mensen op straat en linkse cultuursubsidies. Waar een GroenLinkser veel over heeft voor een kleine bovenwoning midden in Amsterdam, zal een PVV’er met hetzelfde inkomen eerder kiezen voor een twee-onder-een-kapwoning met carport in een blanke nieuwbouwwijk in Almere.

Grote verschillen zijn er tussen stedelijke en landelijke gebieden. En deze nemen verder toe. Terwijl plattelandsgebieden met een laagopgeleide bevolking, waaronder ook oude linkse bolwerken als Oost-Groningen, behoudender zijn gaan stemmen, verdwijnt het CDA steeds verder uit de steden. Kijken we naar de laatste gemeenteraadsverkiezingen dan zien we dat de PvdA zich redelijk handhaaft binnen de grote steden, maar daarbuiten dramatisch verliest. GroenLinks en D66 worden steeds meer stadspartijen, maar groeien ook in de rijke groene randgemeenten, wat te maken heeft met het ouder en rijker worden van de babyboomers.

Opvallende verschillen zijn er verder tussen Noord- en Zuid-Nederland. Brabant en Limburg zijn electoraal veel wispelturiger en tonen een lagere opkomst. Er heerst een meer personalistische politieke cultuur waarin populisme goed aanslaat – van Pim, via Jan naar Geert. Een en ander heeft veel te maken met de onthechting na de afkalving van de KVP.

De lijn Alkmaar-Nijmegen, met enkele uitlopers, vormt de ruggengraat van progressief Nederland. De mogelijke Paars Plus-coalitie haalt hier veel stemmen. Deze as, langs universiteitssteden en groene gebieden, is ook de thuisbasis van GroenLinks. Er is dus sprake van een ‘Green Belt’ die bij Veenendaal de ‘Bible Belt’ kruist.

Binnen de steden wordt de tweedeling zichtbaar door het verschil tussen de compacte centrale stad en de uitgestrekte buitenwijken. Opvallend is hoe in vrijwel elke stad de aanhang van de PVV en het CDA het geografische tegenbeeld vormt van de aanhang van GroenLinks en D66. Deze tegenstelling hangt vaker samen met het type wijk en de sfeer daarbinnen dan met de sociaal-economische positie van de bewoners. Verder zien we in elke stad dezelfde typen wijken met een vergelijkbaar stemgedrag. Zo is GroenLinks vrijwel overal het sterkst in de 19de-eeuwse ring rond de binnenstad. Dit zijn vaak oudere arbeiderswijken met kleine knusse woningen die een proces van opwaardering hebben ondergaan. Voorbeelden zijn Lombok in Utrecht en Bottendaal in Nijmegen. Wie een waardevast huis wil kopen moet kijken waar GroenLinks groeit; dit worden de hippe wijken waar de zogenoemde ‘creatieve klasse’ naar toe trekt.

De aanhang van D66 overlapt grotendeels met GroenLinks, met iets meer nadruk op de welvarende wijken. De PvdA-aanhang is heel duidelijk verbonden met het percentage allochtonen, terwijl de SP het iets beter doet in blanke volksbuurten. De PVV scoort doorgaans hoog in naoorlogse buitenwijken waar men het gevoel heeft dat de buurt afglijdt. De partij doet het echter nog beter in omringende ‘overloopgemeenten’, zoals de groeikernen Spijkenisse, Almere en Purmerend.

Bij de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Den Haag zien we de nieuwe tweedeling terug. Dwars door de oude VVD/PvdA tegenstelling, tussen het rijke ‘zand’ en het arme ‘veen’, is er een nieuwe tegenstelling ontstaan tussen een progressieve binnenstad en een conservatievere buitenrand. De vergelijking D66/GroenLinks versus de PVV toont duidelijk deze scheiding der geesten; men leeft in verschillende biotopen.

Amsterdam laat een sterke bevolkingsdynamiek zien die zich uit in electorale verschuivingen. Daar waar de opwaardering is voltooid, zoals in De Pijp, verliest GroenLinks aan D66, terwijl het proces zich verplaatst naar oost, west en noord, waar GroenLinks groeit. Allochtonen, die vooral PvdA stemmen, trekken naar grotere woningen in de buitenwijken. De blanke bevolking daar neigt naar de PVV, of vertrekt naar een eengezinswoning in de regio. Dat allochtonen vervolgens zelf ook de stap naar Almere maken, leidt daar weer tot heftige reacties en verdere verhuizingen.

Ook in Rotterdam zien we de tegenstelling tussen de compacte centrale stad en de uitgestrekte buitenwijken. Hoewel beide delen meer en minder welvarende buurten kennen, wordt de uitslag toch vooral bepaald door de structuur van de wijk. Bij de Europese verkiezingen stemde de kern D66 en GroenLinks, de rijkste buurten VVD, de oude arme wijken PvdA en de rest PVV. GroenLinks won, zoals in veel gemeenten, op het station. De gemeenteraadsverkiezingen vertonen een vergelijkbaar beeld, met de PvdA als winnaar in vooroorlogs en Leefbaar in naoorlogs Rotterdam.

De PVV scoort meer dan gemiddeld in het westen en zuiden van het land. Naast de overloopgebieden van steden vallen de concentraties in veel plattelandsgebieden op. Interessant is een vergelijking tussen de aanhang van de PVV en die van de LPF destijds. Waar Pim Fortuyn, als homoseksuele intellectueel, het goed deed in de grote steden, doet Geert Wilders het relatief wat beter daarbuiten, zoals op de Bible Belt.

Dat de percentages proteststemmen het hoogst zijn in de nieuwbouwwijken en overloopgebieden, is opvallend en zorgwekkend. Door suburbanisatie lijken veel mensen ontheemd geraakt. Men heeft het zelf goed voor elkaar, met een eigen huis en een auto voor de deur, maar is ontevreden over het gebrek aan sociale samenhang, sociale voorzieningen en veiligheid in de publieke ruimte. Het Sociaal en Cultureel Planbureau vat die discrepantie samen onder de noemer: ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’. Geert Wilders biedt in deze situatie een misplaatst gevoel van saamhorigheid. Het is ‘samen voor ons eigen’.

Veel van het onbehagen van de Wilders-stemmers is in verband te brengen met een vage suburban sadness, die in eerste instantie weinig te maken heeft met de fysieke aanwezigheid van moslims en andere vreemdelingen. De boze buitenwereld ziet men vooral op tv. Veel bewoners van nieuwbouwwijken in overloopgebieden hebben een levendige herinnering aan de oude stadswijken, die ze jaren geleden zijn ontvlucht. Ze koesteren gemengde gevoelens: blij dat ze de verloedering achter zich hebben kunnen laten, maar nostalgisch terugdenkend aan de levendige en gevarieerde stad waar levensstijlen zich vermengden.

In de vinexwijk is de levensstijl homogeen: de witte middenklasse domineert. Als er dan toch ook nieuwe opklimmende middenklassers arriveren van Surinaams-Antilliaanse en van Turkse of Marokkaanse afkomst, die óók ruimer en veiliger willen wonen, denken de ‘eerste’ bewoners: ik ben de stad niet ontvlucht om opnieuw ‘buitenlandse’ buren te krijgen. Dan verbindt het vinexverdriet zich met de angst voor ‘islamisering’ en kan de PVV scoren. Dat is wat in Almere is gebeurd.

Deze verbinding tussen vinexvervreemding en vreemdelingenangst staat haaks op het vrijzinnige, sociaal-individualistische geluid van GroenLinks en D66, dat meer aanslaat in de binnensteden. De electorale geografie maakt scherp zichtbaar dat de sociaal-culturele segregatie ook een ruimtelijke segregatie is. Als we die tendens willen bestrijden, is er krachtig beleid nodig op het gebied van bouwen en wonen. Daarbij moeten verdichting, de socialisering van de ‘lege’ openbare ruimte en het bevorderen van een goede leefstijlmix centraal staan. De compacte stad fungeert als een kweekvijver van ambitie, creativiteit, vooruitgang en vrijzinnigheid. Voor het vertrouwen, de dynamiek en de tolerantie in de samenleving is het beter als mensen blijven deelnemen aan de stedelijke cultuur, waarin ruimte is voor subgroepen, maar men elkaar wel tegenkomt. Daarnaast zijn er nog grote voordelen wat betreft ruimtegebruik en het tegengaan van files. In plaats van weer nieuwe woonwijken in de weilanden te bouwen, die straks ook zullen afglijden, kunnen we beter kiezen voor het revitaliseren van binnenstedelijke gebieden. Een gevarieerd woningaanbod is daarbij belangrijk. Positieve voorbeelden zijn het Oostelijk Havengebied en de opgeknapte Bijlmermeer in Amsterdam. Mensen, met al hun verschillende leefstijlen, kunnen zo een wooncarrière maken binnen de eigen wijk, in plaats van weg te trekken en te vervreemden. Want elke nieuwbouwwijk creëert weer een volgende generatie van proteststemmers.

De tegenstelling tussen progressief en conservatief, die geografisch zo goed zichtbaar is, maakt het er politiek gezien niet gemakkelijker op. De destabiliserende invloed vanuit ‘suburbia’ houdt ons al jaren bezig. Tegelijk zien we hoe ook de traditionele partijen CDA en PvdA elkaar de tent uit vechten. Ook dit is mede terug te voeren op de electorale geografie; hier wreken zich de verschillende wereldbeelden van stad versus provincie. Vanuit de ruimte gezien is Nederland eigenlijk een stadsstaat met een groot groen hart. Vanuit deze geografische analyse biedt een nieuwe paarse coalitie, aangevuld met GroenLinks, ondanks sociaal-economische twistpunten, een beter perspectief.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In de legenda van het kaartje van Amsterdam bij het artikel In het stemhokje gaat het om het rolluik versus de bakfiets (Opinie & Debat, 13 maart) zijn PVV en VVD verwisseld. PVV moet bij het grijze vakje staan, VVD bij het blauwe.