Hoezo is politiek saai?

Leiders wisselen te snel vindt Frank Ankersmit. Een presidentieel systeem is stabieler en minder besloten. Volgens Stine Jensen oogst een vrouw hoon als ze wegens haar gezin opstapt. Ayaan Hirsi Ali vindt Geert Wilders goed voor het land, al kan hij niet gaan regeren.

Hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Er is de afgelopen twee maand heel wat voorgevallen in de Tweede Kamer. Hoezo, politiek is saai? Als je er de belangstelling en de tijd voor had, was het vrijwel permanent raak. Bijna iedere week kon je vanuit je eigen huiskamer op de tv tot in de details volgen hoe het kabinet-Balkenende IV langzaam naar zijn einde strompelde. De Tweede Kamer werd zo een verlengde van de eigen huiskamer. Met daarin dezelfde vertrouwde meubels als bij ons thuis. Allereerst natuurlijk de antieke Zeeuwse kast Balkenende, waarin wij onze duurdere spulletjes bewaren, zoals normen en waarden en de hypotheekrenteaftrek. Verder de gemakkelijke stoel Camiel Eurlings vanwaar je zo mooi over de weg uit kon kijken naar het vliegveld. Dan de zitbank Wouter Bos die wij altijd verre prefereerden boven de dure banken van Jan des Bouvrie waar onze chique kennissen mee pronken. En tenslotte de boekenkast waar Agnes en Immanuel Kant zo keurig naast elkaar staan. Je komt weer thuis van even weggeweest – en dan is dat alles ineens verdwenen! Allemaal weg; zelfs het portret van Van Mierlo dat altijd zo mooi boven de schoorsteenmantel hing. Alleen die oude Zeeuwse kast staat er nog; maar die is krakemikkiger dan ooit en zullen we binnenkort wellicht sowieso de deur uit moeten doen. En dan zitten we in een lege (tweede) kamer.

Aan deze schokkende ervaring is de volgende overpeinzing te verbinden. In de eerste plaats, Kant, Eurlings, Bos en Balkenende zijn allemaal nog jonge mensen; mensen in de kracht van hun leven. Zij waren allen, hoe je het ook wendt of keert, begaafde politici; zij behoorden tot de zeer weinigen die, met meer of minder succes, hun partij en onze nationale democratie gaande wisten te houden. Mensen zoals er maar bitter weinig zijn. Wanneer we dan in amper een maand minstens drie tot vier van die zo zeldzame witte raven kwijtraken, dan is dat zorgelijk. Vooral ook omdat de vijver waaruit je goede politici vissen kan, de laatste decennia snel kleiner wordt. Het Groningse Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen berekende dat die vijver nu nog maar rond de 0,2 procent van de bevolking omvat. Zo wordt de politiek vanzelf een zaak voor een steeds kleinere elite. In een samenleving die toch al in een rap tempo oligarchiseert, en waar steeds meer publieke bevoegdheden toch al in steeds minder handen berusten, is dat een heel verkeerde ontwikkeling.

Zowel Bos als Eurlings gaf aan dat zij de politiek niet meer konden verenigen met een enigszins normaal gezinsleven. En er is vooralsnog geen reden om aan de oprechtheid van die mededeling te twijfelen. Als dat zo is, rijst de vraag of wij zo langzamerhand niet het onmogelijke van politici verlangen. Je overvraagt iemand als die in hectische tijden zowel als minister van Financiën, als partijleider en als vicepremier moet functioneren. Dat kan niemand aan. Ga je daar toch mee door, dan krijg je overwerkte bewindslieden die niet meer de tijd hebben om nog ergens zelfstandig over na te denken. En die dan ofwel ernstige fouten gaan maken, ofwel een hulpeloze speelbal worden van hun ambtelijke diensten. Bovendien zullen steeds minder capabele mensen voor een politieke carrière kiezen. Het is slopend, het risico afgebrand te worden is groot, je houdt het maar kort vol en daarna moet je iets heel anders gaan doen. Er wordt al vaak geklaagd dat de kwaliteit van de Tweede Kamer sterk terugloopt. Dat krijg je ook met bewindslieden. Dan is het land er slecht aan toe.

Dat is een extra reden om ons politiek systeem kritisch te bezien. In de wijze waarop in ons land de macht georganiseerd is, moet men meer rekening houden met de menselijke maat en met wat mensen wel en niet aankunnen. Dat betekent vooral dat er meer duidelijkheid moet wezen over waar de macht ligt. Onze overleg-cultuur, een die wij erfden van de zeventiende eeuwse stadsbesturen, werkt niet meer in onze tijd. Die manier van bestuur verspreidt de macht ‘horizontaal’ over een groot aantal meer of minder direct betrokkenen die allemaal mee kunnen besluiten. Het mooie is dat iedereen in dat horizontale bestuur zijn zegje kan doen. Maar het nadeel is dat iedere besluitvorming een ware Sisyphusarbeid wordt. Het vreet energie. En het is als een bestuurlijke auto die één op één loopt.

Er moet dus meer ‘verticaliteit’ komen in ons openbaar bestuur. Dat staat haaks op het recente rapport Vertrouwen op Democratie van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), dat juist wat zij noemen de ‘horizontalisering’ van het openbaar bestuur aanbeveelt. Volgens de ROB ‘horizontaliseerde’ de samenleving doordat wij meer en meer als gelijke individuen naast en tegenover elkaar staan. Maar de overheid maakte die beweging niet mee en hield star vast aan een verticaal en hiërarchisch georganiseerd bestuur. Samenleving en overheid groeiden aldus steeds verder uit elkaar. Dat ziet de ROB als oorzaak van de veelbesproken kloof tussen burger en overheid.

Maar het is juist andersom. Van de horizontaliteit van collegiaal bestuur moeten we zoveel mogelijk naar de verticaliteit van een presidentieel bestuur. De harde feiten wijzen dat uit. Na het aftreden van Wouter Bos kopte deze krant gisteren op de voorpagina met ‘Nu gaat het nog meer om de premier’. En Balkenende zei blasé alleen voor het minister-presidentschap in aanmerking te willen komen. Dat zal medebepalend zijn voor de verkiezingen van 9 juni. We zullen dan onze stem minder uitbrengen op een politieke partij dan op de persoon die naar ons idee de minister-president moet worden. Het algemeen kiesrecht „ligt in de geest der eeuw” zei Thorbecke rond 1850. En zo is het in onze tijd met de gekozen minister-president. Conservatieven kunnen proberen dat tegen te houden. Maar wat onvermijdelijk is, komt toch. Niet de horizontalisering, maar juist de verticalisering heeft daarom de toekomst in het openbaar bestuur. Verticaliteit, gekozen gezag van boven, kan de democratie juist versterken. De ROB dacht dat als zich een ontwikkeling voordoet in de samenleving, de overheid die moet proberen te imiteren. Dat is een heel verkeerd dogma zoals iedereen zou kunnen weten. De afgelopen twintig jaar heeft de overheid tevergeefs geprobeerd het bedrijfsleven te imiteren. Staat en samenleving hebben ieder een eigen logica; en soms moet de overheid het juist anders doen dan markt en samenleving.

Zo is het nu. Horizontalisering maakt de samenleving steeds onoverzichtelijker. Word je in die horizontaliteit getrokken, dan is het alsof je je in een landschap moet oriënteren vanuit het perspectief van een mier die over de grassprieten klautert. Je ziet dan alleen de directe omgeving, de grassprieten om je heen. Voor de overheid is het fataal om in dat mierenperspectief gevangen te blijven. Verticaliteit oftewel gekozen gezag, is dan bij uitstek nodig. Pas die geeft een helikoptervisie op de dingen en een indruk hoe die met elkaar samenhangen. Pas dat biedt de garantie voor goede politieke beslissingen. En er is toch al zo weinig ruimte voor die verticaliteit in een land dat wordt bestuurd door een horizontale archipel van departementen.

Pas dan kan een minister er de tijd voor nemen om de politieke problemen te leren begrijpen en in alle rust bedenken hoe je die oplost. De beste oplossingen komen pas tot stand wanneer je van een afstand naar de dingen kijkt. En dan houdt een minister ook tijd over voor aandacht voor zijn of haar gezin. Dat is niet alleen goed voor dat gezin, maar ook voor het land. Want een overbezette minister is per definitie een slechte minister.