Hockeybond moet ingrijpen, niet hopen op betere tijden

Het falen van de hockeyers moet leiden tot drastische aanpassingen. De druk op de bond om het tophockey verder te professionaliseren neemt toe.

Nog tweeënhalf jaar heeft de hockeybond. Dan beginnen de Spelen van Londen en moet er weer een Nederlands elftal staan dat zich kan meten met de wereldtop.

Bijna tien jaar staat het grootste hockeyland ter wereld al met lege handen als het gaat om grote titels – in een sport die maar vier of vijf ‘grote’ landen telt. Na opnieuw een mislukte missie – het WK in New Delhi dat vandaag eindigt met de finale tussen de overgebleven grootmachten Australië en Duitsland – is de grote vraag of de KNHB voldoende bewijzen heeft verzameld voor de conclusie dat de achterstand structureel van aard is, en waarschijnlijk groter dan de meeste spelers denken. Die houden vol dat het verschil met de toplanden klein is, maar de rangschikking op het WK in Mönchengladbach (2006), de Spelen van Peking (2008) en het EK in Amstelveen (2009) wijzen anders uit.

Voor NOC*NSF, een bolwerk van oud-hockeykampioenen, was de hockeybond al langer een zorgenkindje. De sportkoepel oefent al enige tijd druk uit om het roer om te gooien. ‘Papendal’ vindt dat ook het tophockey moet worden omgebouwd tot een fulltime programma, waarin geen ruimte meer bestaat voor compromissen. Olympische medailles zijn niet meer haalbaar voor sportmensen die minder dan honderd procent van de tijd bezig zijn met topsport, weet NOC*NSF.

Technisch directeur Maurits Hendriks, als bondscoach succesvol in Sydney (2000), bevestigt in Delhi dat NOC*NSF al voor het WK in gesprek is gegaan met de bond. De tijd van hopen op betere tijden is voorbij. Bij de bond lijkt het besef doorgedrongen dat de resultaten het gevolg zijn van beleid. „Vroeger liepen we voorop, nu niet meer”, erkent teammanager Ties Kruize. „Je moet reëel zijn: wij waren in de halve finale tegen Australië de onderliggende partij.”

De grote vraag is „hoe wij weer toonaangevend worden”, zegt Kruize. „We hebben goede spelers, maar als je in drie maanden drie keer van Korea verliest, klopt er iets niet. Tot vijf jaar geleden wonnen wij op onze kwaliteiten van dat soort landen. Maar ze hebben zoveel tijd in het hockey gestoken, dat het niet meer voldoende is.”

Kruize denkt het Nederlandse hockey toe moet naar een hogere trainingsintensiteit voor een veel grotere groep spelers dan de huidige selectie. Kruize: „In Duitsland en Australië kunnen ze putten uit dertig, veertig man. Bij ons is het verschil tussen de clubtrainingen en het Nederlands elftal te groot, dus zal je meer spelers bij de selectie moeten halen.”

Bondsvoorzitter Jan Albers kan er nog niet de vinger op leggen waar het verkeerd is gegaan. Hij denkt wel dat Nederland na ‘Peking’ te laat is geweest met verjongen. Waar olympisch kampioen Duitsland met het oog op 2012 direct voor vers bloed zorgde, koos bondscoach Michel van den Heuvel voor dezelfde groep. Daarmee verspeelde hij waardevolle duels waarin jongeren ervaring hadden kunnen opdoen. Nederland kan een voorbeeld nemen aan Duitsland, zegt Albers. „Zij zijn heel goed in het constant verjongen. Dat doen ze in fasen, met elke twee jaar een nieuw blok. Ze slaan nooit een leeftijdsgroep over.’’

Bij de zoektocht naar het falen komt na het WK ook de rol van bondscoach Van den Heuvel ter sprake, en de vraag of hij wel de juiste man op de juiste plaats is. De Brabander, die de afgelopen weken enkele keren werd bijgestuurd door Kruize, worstelde tijdens zijn eerste WK zichtbaar met de druk. Hij wist zich in Delhi geobserveerd door de Nederlandse hockeygeschiedenis, met op de tribunes liefst drie bondscoaches die in het verleden olympisch kampioen zijn geworden: behalve Hendriks (Sydney 2000) ook Roelant Oltmans (Atlanta 1996) en Marc Lammers (Peking 2008). De eerste twee werken nu bij NOC*NSF, de laatste wordt vaak genoemd als de ideale man om het van Van den Heuvel over te nemen. Maar Kruize, die na het WK weer bondsbestuurder wordt met de portefeuille tophockey, wilde zich gisteren niet uitlaten over diens functioneren. „We zitten nog midden in een WK.”