Gods Hobbelpeerd betastte jongens op zijn kamer

Nooit gaven kloosterordes ruchtbaarheid aan seksueel misbruik en fysiek geweld. Een eerste inventarisatie brengt 137 paters en broeders ermee in verband.

Ze luisterden naar namen als broeder Simplicius, frater Rudolphus, pater Van Driel of broeder Clemens. Het gros is al dood, maar niet vergeten door hun slachtoffers.

Na de onthulling van twee weken geleden, over misbruik van leerlingen door salesianen van internaat Don Rua in ’s-Heerenberg, hebben 128 oud-leerlingen van katholieke internaten en seminaries NRC Handelsblad geïnformeerd over wat er met hen is gebeurd. De verzameling reacties geeft een eerste inzicht in aard en omvang van het misbruik en de betrokkenheid van de congregaties.

In de meldingen aan deze krant, die samen met de Wereldomroep het misbruik onderzoekt, worden 137 paters en broeders in verband gebracht met seksueel misbruik en fysiek geweld. Zij waren, of zijn, lid van 32 ordes of congregaties.

De geestelijken werkten voornamelijk in internaten en seminaries (priesteropleidingen), verspreid over 57 gemeenten, vooral in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland. Een tiental paters en broeders werkte in een parochie of in het jeugdwerk.

De oudste melding betreft een Tilburgse frater die in 1935 in de onderbroekjes van leerlingen zat. De jongste melding stamt uit 2000 en gaat over een pater in Enschede, uit zijn functie gezet na seksueel misbruik.

Uit de inventarisatie blijkt dat het misbruik vooral plaatshad in de jaren zestig (62 meldingen) en vijftig (43). Dat veel slachtoffers uit de jaren veertig en dertig gestorven zijn, zal een verklaring zijn voor het geringe aantal meldingen over die periode.

Dat het aantal meldingen ná 1960 snel zakt, houdt allicht verband met het dalend aantal roepingen en de sluiting van internaten waar misbruik plaatsvond.

Tot de scholen, internaten en seminaries die veel worden genoemd, hoort het prestigieuze Canisius College in Nijmegen, van de jezuïeten. Deze orde raakte in Duitsland als eerste in opspraak, met misbruik op een gymnasium in Berlijn.

Het Canisius, waar D66’er Hans van Mierlo en CDA-politicus Ruud Lubbers onderwijs kregen, wordt door zes oud-leerlingen genoemd. Hier waren tussen 1946 en 1975 twee paters die niet van de jongens konden afblijven. Een van hen, met de bijnaam Gods Hobbelpeerd, was leraar geschiedenis. Hij liet leerlingen op zijn kamer komen om hen daar te betasten. „Hij sloeg zijn armen om me heen, drukte zich tegen mij aan en begon tegen mij op te rijden”, verklaart een oud-leerling.

Berucht is ook het pensionaat Saint Louis Amersfoort, geleid door de broeders van Maastricht. Zes oud-leerlingen van Saint Louis noemen drie broeders.

Paul Woltering uit Amsterdam werd als leerling van Saint Louis vaak door een broeder meegenomen om in de donkere kamer te helpen met het ontwikkelen van foto’s. „Dan trok hij me op zijn schoot en ging hij met zijn hand in mijn korte broek om mijn penis aan te raken.”

Ten minste drie meldingen zijn er over Huize Ruwenberg in Sint- Michielsgestel, Eymard Ville in Stevensbeek en de Leostichting nabij Borculo.

De meeste meldingen kwamen binnen over de salesianen van Don Bosco en de Broeders van Liefde. Dat houdt verband met de publiciteit over hun internaten in respectievelijk ’s-Heerenberg en Eindhoven.

Het aantal slachtoffers dat zegt misbruikt te zijn door salesianen bedraagt 25. Dat gebeurde vooral in het internaat in ’s-Heerenberg (17 meldingen), maar ook in de internaten van de orde in Ugchelen en Leusden. Daarnaast misdroegen salesianen zich in parochies in Twello en Zevenaar.

Salesianen uit het jeugdwerk (‘jongensstad’) in Amsterdam vergrepen zich eind jaren vijftig aan kinderen in de bioscoop. Paul Fockens (62), leerling van de St. Augustinusschool: „Ik herinner me een cowboyfilm van Roy Rogers. Ze zaten naast je en je werd betast. Af en toe liep een broeder met een jongen naar achter.”

Het misbruik in ’s-Heerenberg vond plaats tussen 1962 en 1971. In dat laatste jaar sloot het internaat zijn deuren.

Beschuldigd worden zestien paters en broeders, van wie er vijf vaker worden genoemd. Toenmalig directeur P., verantwoordelijk voor het toezicht in ’s-Heerenberg, wordt door vier oud-leerlingen aangewezen als dader.

Een van de slachtoffers is Frans Verhallen (59), oud-wethouder (CDA) in Nuenen, Noord-Brabant. „Ik heb nog naakt met de directeur in bed gelegen”, zegt Verhallen, die blij is dat de waarheid boven tafel komt. „De directeur wist wat er aan de hand was. Tot in detail. Hij deed eraan mee. Ik ben enkele jaren geleden bij hem op bezoek geweest en heb het uitgepraat. Ook Ad van Luyn, tegenwoordig bisschop van Rotterdam, moet het geweten hebben.”

Van Luyn is salesiaan. Van 1964 tot 1967 was hij leraar in ’s-Heerenberg. Tegelijkertijd was hij tot 1969 secretaris van provinciaal overste Quintus Muth, de hoogste ‘baas’ van de salesianen.

Onder leiding van Muth deed een commissie in 1967 onderzoek naar misbruik door paters. Jongens werden gehoord. Frans Verhallen was een van hen.

Het onderzoek leidde tot de overplaatsing van een salesiaan naar een nonnenklooster in Babberich, in de Achterhoek. Deze pater wordt nu genoemd door vijf oud-leerlingen. Hij was berucht wegens de ontuchtige handelingen die leerlingen op zijn kamer moesten ondergaan.

Van Luyn is voorzitter van de bisschoppenconferentie die deze week opdracht gaf voor een onderzoek naar het misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Wist hij van het misbruik in ’s-Heerenberg?

Via een woordvoerder laat Van Luyn weten dat hij „niet wist van het bestaan van het onderzoek”. De woordvoerder: „Hij wist wel van de overplaatsing van de pater, maar niet waarom dat gebeurde.”

Het misbruik in ’s-Heerenberg was structureel. De meldingen zijn verspreid over tien jaar. Een substantieel deel van de in totaal zestig priesters en broeders wordt beschuldigd. Twee salesianen hebben in de media het misbruik toegegeven.

Het misbruik op internaat Eikenburg in Eindhoven duurde van 1953 tot 1984, blijkt uit de meldingen van negentien slachtoffers. Ze beschrijven hoe broeders zich schuldig maakten aan fysiek geweld (van klappen tot sadistische praktijken) en aan misbruik (van handtastelijkheden tot verkrachtingen).

Als daders worden vijftien broeders en lekenbroeders genoemd. Onder hen is ook de voormalig directeur van het internaat, in de jaren zeventig en tachtig verantwoordelijk voor het toezicht. Op zijn kamer moest Henri Looymans (53) als tienjarig jongetje zijn broek en onderbroek uitdoen, voor slaag op zijn blote billen.

Ook de provinciaal overste, broeder Van Heugten, wist van de praktijken, vertelt oud-leerling Ton (nu 61). „In de jaren vijftig stond hij – toen nog als broeder Anselmus – erbij als een medebroeder jongens betastte onder de douche.”

Van Heugten: „Ik heb niks gedaan en van de rest weet ik het niet.”

Ook op Eikenburg zijn broeders weggezonden. Twee broeders gingen naar een psychiatrische inrichting, een derde werd overgeplaatst naar een andere school. Nimmer hebben de Broeders van Liefde de politie ingeschakeld of gaven ze ruchtbaarheid aan de mishandelingen en het misbruik. Dat geldt ook voor andere congregaties.

Dat misstanden in de doofpot belandden, loopt als een rode draad door de meldingen. Ook ouders hadden geen behoefte aan ophef. Als kinderen al met verhalen durfden te komen, werden ze niet geloofd. Het aanzien van paters en broeders was groot. De leerlingen konden thuis of op het internaat op straf rekenen.

Kinderen zaten in de val. Aan de ene kant repressie, aan de andere kant ongeloof thuis. Weglopen had geen zin, merkte oud-leerling Frank. Hij werd mishandeld, liep dertien keer weg. „Na de laatste keer bracht mijn vader mij terug met de boodschap dat ik, als ik nog één keer zou weglopen, nooit meer naar huis mocht.”

Soms reageerden ouders wel. Peter Roozendaal was negen in 1954. Hij werd een half jaar lang ernstig mishandeld door een broeder. „Toen mijn ouders onverwacht kwamen opdagen, troffen ze mij totaal ontredderd aan met een kapotte bril, een blauw oog en vol blauwe plekken. Vader werd woedend en heeft mij meegenomen naar huis.”

Reacties: misbruik@nrc.nl