Geur is wegwijzer voor mier

Dit stukje gaat over mieren, maar eerst iets over bommenwerpers. In de oorlog, zeventig jaar geleden, moesten Britse bommenwerpers een Duitse stuwdam bombarderen. Dat zou alleen lukken als ze op precies 18 meter boven het stuwmeer kwamen aanvliegen – dan zou de speciale bom over het water stuiteren en tegen de dam knallen.

Daarom plaatsten de piloten twee zoeklichten onder het vliegtuig, eentje onder zijn neus, eentje onder zijn staart. Door de voorste lamp schuin naar achter en de achterste schuin naar voren te richten, beschenen ze op precies 18 meter onder het vliegtuig dezelfde plek op het water. Als de piloten twee lichtvlekken onder het toestel zagen, moesten ze hoger of lager vliegen. De luchtaanval lukte.

Daarom hebben mensen en dieren twee ogen. Die ogen kijken vanuit twee verschillende hoeken naar eenzelfde plek op een stuk papier of op een leeuw in de verte. De hersenen – eigenlijk: de piloten – weten welke afstand bij welke hoek tussen de ogen hoort. Dat heet ‘diepte zien’.

En nu die mieren. Biologen hebben uitgevonden dat sommige van die beestjes diepte kunnen ruiken! Dat kan doordat ze de geuren in de lucht met twee antennes op hun kop opsnuiven. Als de linkerantenne een bloem of een dode kever iets eerder ruikt dan de rechterantenne, dan berekent het mierenbrein waar die bloem of die kever precies liggen: aan de linkerkant. De mieren maken zo in hun hersens een soort kaart van de omgeving.

Die onderzoekers kwamen hier achter door rond een mierennest vier verschillende geurbronnen aan te leggen. Toen ze die vier geurbronnen én de mieren, maar niet het nest naar een andere plek brachten, zagen ze die mieren hun nest zoeken op de ‘goede’ plaats – de plek die ze konden verwachten als ze op de geuren afgingen. Toen de biologen een van de twee antennes afknipten, doolden de mieren rond. Want met één zoeklicht, één oog, of één antenne, kun je geen diepte zien.

Menno Steketee