Feestbeesten

Van alle Nederlandse feesten is het Boekenbal het mooiste, leukste, briljantste en, geloof ik, het enige waarvoor je misschien, als je geluk hebt, een kaartje op de zwarte markt kunt kopen. Terwijl het nog aan de gang is, komt het al op de televisie, en de volgende dag staat het Boekenbalnieuws met foto op de voorpagina van de ochtendbladen. Wie zou daar niet bij willen zijn? Ik. Niet omdat ik een hekel aan schrijvers heb, maar in mijn DNA heb ik nu eenmaal niet het geringste spoortje van een feestbeest. Op z’n hoogst na een uurtje spontane collectieve vrolijkheid heb ik het wel gezien en ik ontsnap tersluiks via een zijdeur. Ik geef toe: het is een gebrek, zeker in deze tijd, maar ik heb ermee leren leven.

Het motto van deze Boekenweek, de vijfenzeventigste, is ‘Titaantjes – Opgroeien in de letteren’, een verwijzing naar Nescio, en het Boekenbalthema was ‘Jong zijn’, nader uitgelegd door Adriaan van Dis, met een rap, geïnspireerd door de Gijsbrecht van Joost van den Vondel. Dat heb ik dus gemist, jammer, maar misschien kom ik Adriaan weer eens tegen bij de tramhalte en dan vraag ik hem of hij een paar regels voor me wil rappen.

Maar nu over dit thema. Een jaar of veertig geleden, toen ik ook al niet meer zo jong was, ging ik naar het Boekenbal met een mooie vrouw van volstrekt onbesproken reputatie. Voor die gelegenheid had ze zich nog mooier gemaakt. Tegen het einde van de week las ik het feestverslag in Propria Cures, het Amsterdamse studentenblad. Daar stond: Montag liet zich deze keer vergezellen door een buitengewoon hoerig type. Ik las het nog eens. Ik had me niet vergist. De verslaggever was Tim Krabbé. Ik was boos, maar wat te doen? Het toeval hielp. Vrijdagavond ging ik naar De Kring, de destijds beroemde en beruchte ‘Sociëteit voor kunstenaars en intellectuelen’, een groot kaal hok waar geen blind paard schade kon aanrichten. Aan de bar stond Tim Krabbé. Terwijl ik aan de film High Noon dacht, ging ik naar hem toe en zei: Bent u Tim Krabbé? Dat bevestigde hij. Meteen gaf ik hem een klap.

Krabbé was toen ook al een sportman. Wielrennen, nog meer waarschijnlijk. Meteen gaf hij een klap terug. Gelukkig had ik een sportieve vriend uit Rotterdam meegenomen, Kees Kodde, plaatselijk beroemd hockeyer en ook verder voor geen kleintje vervaard. Hij nam de bokshouding aan. Maar ook Krabbé had vrienden bij zich. In minder dan geen tijd waren de kunstenaars en intellectuelen in een ordeloos, verbitterd gevecht gewikkeld. Jan Zwart, de barman, had dergelijke ongeregeldheden meer bij de hand gehad. Samen met de voorzitter Henk Kersting wist hij op een of andere manier de orde te herstellen. Later ben ik Tim nog eens tegengekomen. We zagen aan elkaar dat we weer vrede hadden gesloten en ik heb nu het gevoel dat we dit voldoende vonden.

Voorzover ik weet is er op dit Boekenbal niet gevochten. Toen hij jong was en er nog niemand aan een Boekenbal dacht, heeft E. du Perron voor de ingang van Américain een vuistgevecht gehad met een andere beroemdheid wiens naam ik me niet herinner. In zijn jonge jaren kon Norman Mailer ook goed van zich afslaan. Er is een foto van de Dadaïst Arthur Cravan waarop hij in bokskostuum in de boksring staat. Van Curzio Malaparte bestaan veel meer bewijzen van krijgshaftigheid, foto’s waarop hij met een sabel of een vleesmes staat, en hij heeft zich zelfs laten fotograferen met in iedere hand een kromzwaard. Maar ja, dat is Malaparte, zult u zeggen. Als het op vechten aankomt is volgens mij Jan Cremer nog altijd de gevaarlijkste man uit de Nederlandse literatuur.

Wordt er onder de jongere schrijvers nog wel eens een robbertje afgewerkt? Als dat het geval was, zou je er meer over lezen, denk ik. In de literatuur hebben de vreedzame generaties de macht overgenomen. Wat dat aangaat geven ze de wereld een mooi voorbeeld.