Dodental ramp is geen graadmeter hulp

Het is onduidelijk hoe de regering van Haïti het dodental van de aardbeving heeft vastgesteld. Voor hulp aan de overlevenden is het eigenlijk niet belangrijk.

Van alle grote natuurrampen in de afgelopen jaren zal de aardbeving in Haïti de geschiedenis ingaan als de ramp met het meest onzekere dodental. Zodra de aantallen dodelijke slachtoffers in de tienduizenden lopen, moet er altijd ruw worden afgerond, maar in Haïti is het geheel onduidelijk welke methode de regering daarbij hanteert.

Tekenend was een persconferentie van president Préval en minister van Cultuur en Informatie Lassegue op 10 februari, vier weken na de ramp. Lassegue had het dodental de dag ervoor verhoogd tot 230.000, maar later een verklaring uitgegeven waarin Préval het over 170.000 slachtoffers had. Op de persconferentie hield de president vast aan dit getal, maar Lassegue viel hem in de rede: „Nee, nee, het officiële aantal is 210.000”. Waarop Préval reageerde: „Ze weet niet waar ze het over heeft.”

Het meest recente aantal lijken dat volgens de regering begraven is, staat op 222.570. Préval vermoedt dat ongeveer 80.000 lijken nog onder het puin liggen, waardoor het totale dodental boven de 300.000 zou komen.

De Verenigde Naties, bilaterale donoren, hulporganisaties – iedereen hanteert het officiële dodental, maar niemand weet hoe het tot stand is gekomen. De dienst Direction de la Protection Civile is verantwoordelijk voor de opstelling van het cijfer, maar zegt telefonisch dat zij de pers niet te woord mag staan. Van de regering is niemand bereikbaar voor commentaar.

Journalist Hans Jaap Melissen van de Wereldomroep is de enige die zelf een onderzoek heeft verricht. Navraag bij de beheerders van kerkhoven en massagraven plus een ruime marge voor lijken die hij gemist kan hebben, brachten hem eind vorige maand op 52.000 geborgen doden. Onder het puin liggen maximaal 30.000 lijken, schat hij, omdat de meeste plaatsen waar op het moment van de aardbeving veel mensen bijeen waren al geruimd zijn. Melissen stelt dat het dodental „niet boven de 100.000 zal uitkomen”.

De meeste lijken uit Port-au-Prince zijn in de eerste week na de aardbeving op 12 januari in massagraven aan de noordkant van de stad gedumpt, anderen werden bijgezet in bestaande graven. Een onbekend aantal is verbrand. Sommige beheerders van de begraafplaatsen hebben registers bijgehouden, maar velen niet, verklaren vrachtwagenchauffeurs die ladingen lijken naar de graven hebben gereden, in verschillende internationale kranten.

Wat de situatie in Haïti extra ingewikkeld maakt, is dat er geen goed bijgehouden bevolkingsregister is. Bij de aardbeving in het Chinese Sichuan, in 2008, werd aan de hand van het bevolkingsregister rekening gehouden met een bovengrens aan het dodental. Bij cycloon Nargis, in datzelfde jaar, hield de Birmese junta – die wars was van buitenlandse hulp – het dodental kunstmatig laag. Maar omdat Nargis vooral kleine dorpen trof, en de bewoners precies wisten wie vermist waren, werd ook daar het dodental uiteindelijk exacter dan in Haïti.

Internationale organisaties houden zich in Haïti uitdrukkelijk niet bezig met het tellen van de doden. „Onze allergrootste prioriteit is hulp aan de levenden”, zegt een woordvoerder van het Rode Kruis in Haïti via e-mail. Zo klinkt het bij alle organisaties. „De moeite die het ons zou kosten om onafhankelijke cijfers te verzamelen, is eenvoudigweg te groot”, zegt een woordvoerder van de VN-noodhulporganisatie OCHA.

Na een natuurramp beheerst het dodental de berichtgeving in de media en de publieke opinie, maar voor de hulp is het cijfer veel minder relevant dan vaak wordt gedacht. „Het is cru, maar als er 300.000 doden zijn, hoef je voor hen geen huis meer te bouwen”, aldus een zegsman van Ontwikkelingssamenwerking in Den Haag.

Belangrijker is dat het dodental geen echte maat is voor de hulpbehoefte van de levenden: de verhouding tussen het dodental en het aantal daklozen is in Haïti bijvoorbeeld veel kleiner dan diezelfde verhouding voor de recente aardbeving in Chili (zie grafiek). In Haïti geldt ook niet dat er bijvoorbeeld werkgelegenheidsprogramma’s gebaseerd zullen gaan worden op het aantal omgekomen kostwinners, zegt Xavier de Radigues, een medisch epidemioloog die namens de Wereldgezondheidsorganisatie drie weken in het land was. „De meeste mensen hadden sowieso geen werk en worstelden om in leven te blijven. Na de aardbeving zijn ze terug bij af.”

Critici van het door president Préval gehanteerde dodental verdenken hem ervan de ramp te dramatiseren om meer donaties binnen te halen. Het is een vaak gehoord verwijt als bij een natuurramp de cijfers omhoogschieten, maar het is moeilijk aan te tonen of regeringen of internationale organisaties zich er inderdaad door laten beïnvloeden.

De Europese Commissie „baseert donaties uitsluitend op de hulpbehoefte”, aldus een woordvoerder. Ook Ontwikkelingssamenwerking in Nederland stemt de donatie af op het hulpverzoek van de VN, dat weer gebaseerd is op onderzoek naar de omstandigheden van de overlevenden.

Beide woordvoerders sluiten niet uit dat het dodental wel invloed kan hebben op donaties van particulieren: „De aandacht van media voor een ramp wordt vaak beïnvloed door het aantal doden, en dat kan weer gevolgen hebben voor de donaties”, legt de Europese woordvoerder uit.

Maar epidemioloog Radigues relativeert ook die redenering: „Haïti zou niet meer hulp krijgen door het dodental te overdrijven. Of er nu 200.000 of 100.000 doden zijn, dan nog zijn het er zoveel dat het verschil niet meer uitmaakt.”