Dode Schrijvers-boekenbal

Zou er eens een Boekenweek ingesteld kunnen worden voor dode schrijvers? De CPNB is in 2006 begonnen met dat aardige initiatief van gratis boeken in oktober, te verkrijgen bij de Openbare Leeszalen. Van de vier boeken die tot nu toe aangeboden zijn, was er één van een dode schrijver. De andere titels hadden wel een klassieke status. Voor het komend jaar is de keuze heel verrassend op De grote zaal van Jacoba van Velde gevallen. Het moet een poging zijn om haar postuum nog in de canon te krijgen.

Dit jaar is het thema van de boekenweek Titaantjes. Opgroeien in de letteren. Voor Adriaan van Dis op het boekenbal aanleiding om spectaculair te demonstreren hoe Indisch hij gesproken zou hebben als hij Bordewijk’s Karakter niet had gelezen en hoe je Vondel kunt rappen. Ramsey Nasr droeg een lange ode aan de Tachtigers en Negentigers van de negentiende eeuw voor. Wat mij betreft had zo’n boekenweek helemaal aan dode schrijvers gewijd mogen zijn. Daarmee kun je nog veel meer kanten op dan met levende schrijvers. Het zijn er ook meer. Het geschenk zou in elk geval een onuitgegeven manuscript van een grote dode moeten zijn. Iets wat W.F. Hermans nog achtergehouden heeft, of een vergeten jeugdwerk van Jan Wolkers. De decoraties van het boekenbal zouden vitrines zijn in de vorm van doodskisten met een glazen deksel, waarin een wassen pop van de betreffende schrijver. Aan de binnenkant van de kist manuscripten en informatie. Hier en daar loopt een verklede acteur die vragen van rondlopende gasten beantwoordt. Misschien interviewt Van Dis ze. Het valt toch al op hoeveel Halina Reijn lijkt op Carry van Bruggen. Pierre Bokma valt om te schminken tot een oudere Willem Kloos. En heeft Derek de Lindt niet de edele gelaatstrekken van Joost van den Vondel? Het openingsprogramma van het bal geef ik in handen van Hans Teeuwen, die weet wel hoe hij afwezige schrijvers uit hun vel kan laten springen.

Ik kan me ook voorstellen dat er wat onderzoek aan die boekenweek voorafgaat. Zo vraag ik me al tijden af wat nu de meest voorkomende doodsoorzaak is bij schrijvers. Gaan ze meestal aan kanker dood of aan zelfmoord? Dood door verwaarlozing van de gezondheid of vroegtijdig overlijden door drank beschouw ik daarbij als een vorm van zelfmoord. François HaverSchmidt of Johnny van Doorn, geen verschil, al stierf de laatste uiteindelijk aan kanker. Dus voor de Boekenweek van Dode Schrijvers wil ik een statistiek van doodsoorzaken en gemiddelde leeftijden zien. Nog zo’n punt: gaat de gemiddelde schrijver gemiddeld langer of korter mee dan de gemiddelde Nederlander? Het lijkt me wel belangrijk om te weten, want er zijn tegenwoordig zoveel mensen die ambiëren schrijver te worden, dat ze wel ernstig gewaarschuwd moeten worden mocht de gemiddelde leeftijd inderdaad lager liggen. Ook trouwens als die hoger zou liggen, want heel veel mensen willen helemaal niet zo oud worden. Dus de CPNB moet voor die boekenweek nog wat subsidie regelen voor onderzoek. Of zou het handiger zijn er een enquêtebureau in te schakelen? Nabestaanden van schrijvers ondervragen hoe gelukkig opa bij leven was? Maar zouden de achterkleinkinderen van Multatuli weten of hij wel of niet een tevreden mens was? Je hebt toch erg veel kans dat de beeldvorming de feiten verdoezelt. We weten allemaal uit Max Havelaar dat Multatuli een gekweld mens was, en het zou diens imago ernstig schade doen als naar buiten zou komen dat hij eigenlijk een gepassioneerd tuinier was die geen groter plezier kende dan het zelf opbinden van komkommerplanten.

Nu ik zo’n boekenweek aan het ontwerpen ben, realiseer ik me dat het vernieuwde Letterkundig Museum eigenlijk al aardig in de buurt komt van wat ik zou beogen.

Natuurlijk is het museumgebouw zelf een aanfluiting. Je zou de God van Nederland willen smeken of hij een betonrotplaag op dat gebouw zou willen uitstorten, zodat de collectie behouden bleef maar het gebouw zelf onherstelbaar weggevreten zou worden. En dan op zoek naar een historisch gebouw dat geen functie meer heeft en dat ombouwen tot mooi museum. Een kerk, het paleis op de Dam, een oud ziekenhuis, een oude bank, de Gothische zaal van Willem II, er is vast wel het een en ander in de aanbieding. Het mooiste zou natuurlijk het Museumplein in Amsterdam zijn. Kunnen de ANWB of het Amerikaans consulaat ergens anders heen? De voormalige Boerhaavekliniek? Het Stadsarchief van Amsterdam heeft een vorstelijke allure gekregen door het gebouw waar het nu in zit. Zo’n gebouw zou je het Letterkundig Museum ook toewensen. Je kunt ook een toparchitect aanstellen die een geheel nieuw grandioos gebouw neerzet.

Maar nu de nieuwe tentoonstelling. Het is verduiveld moeilijk om een evenwicht te vinden. Dat wat ik in de Huizingalezing ‘historische sensatiezucht’ genoemd heb, ligt erg op de loer bij het toegankelijk maken van de historie. Als een plannenmaker eenmaal aan het fantaseren gaat over nieuwe technieken, kom je algauw bij een bewegend en driedimensionaal Madame Tussaud uit.

Wanneer ga je over de schreef als je populariseert, wanneer blijf je binnen de broze grenzen van de creatieve historische verbeelding? De tv-serie De troon gaat op een barbaarse en vulgaire manier over de grenzen heen. Regisseur Erik de Bruyn en scenarioschrijver Ger Beukenkamp hebben lak aan de historie en misbruiken die om sensationeel te kunnen zijn. ‘Geschiedenis is liegen’, zegt Beukenkamp in een interview. Daarin heeft hij gelijk als het om visuele details en ideeëninterpretaties gaat, maar niet wat de feiten betreft. Een manipulatie daarvan is gevaarlijk, omdat die zich in het collectieve geheugen vast kan zetten. Het beeld dat zij geven over het ontstaan van België, waarbij de Duitser Leopold von Sachsen Coburg, jaren voordat hij kon denken aan een koninkrijk, neergezet wordt als een politieke en amoureuze en bovendien alvast Vlaamse rivaal van Willem II, is lachwekkend. Tegelijkertijd heeft die verdraaiing iets aantrekkelijk hijgerigs, waardoor die zich makkelijk laat verkopen. De troon is een valse poging tot het openen van het verleden. Het nieuwe Nationale Museum wacht ik met spanning af – de stilte die er nu omheen heerst is eigenlijk tamelijk veelbelovend.

Het Letterkundig Museum heeft wat mij betreft een evenwicht gevonden.

Je kunt je er op een boekenbal wanen in de portrettengalerij. Wandel er doorheen, zie de verschillende uitdossingen van schrijvers, bont van kleur, gedistingeerd zwart of historisch bruin. Sommige schrijvers kijken je brutaal aan en lijken je een knipoog te geven, andere kijken autistisch in zichzelf of blikken weg. Het is alsof je de trappen van de Amsterdamse stadsschouwburg op en af gaat, verschillende schrijvers herkent en zoent, bij andere je afvraagt: wie was dit ook alweer, en soms ook je hoofd even afwendt omdat er nog een akkefietje openstaat. Maar de echte verdienste van de tentoonstelling zijn de vier kernen (wording, ophef, stijl & objecten). Honderd schrijvers hebben ook een apart kijkscherm met geluid gekregen, waarin beelden van hun leven en hun werk, door henzelf of door acteurs voorgelezen fragmenten uit hun werk, filmbeelden, soms cartoons, soms spotprenten, en altijd informatief en pittig.

De tentoonstelling begint met de wording van de literaire tekst. Aan de wand schrijft Vestdijk het begin van Terug tot Ina Damman, dat gaat daarna over in typen en in de vitrine is de uiteindelijke gedrukte tekst zichtbaar. Magnifiek is de ruimte waarin literaire opstootjes verbeeld worden. De vitrines bestaat uit laatjes die opengaan in volgorde van het schandaal. De ophef rond Mandarijnen op zwavelzuur van W.F. Hermans, bijvoorbeeld, is van het begin tot het eind te volgen, en steeds opent een nieuw laadje met een boze reactie, een pamflet of spotprent. In een ruimte zijn de parafernalia van het schrijverschap bij elkaar gezet: de dodenmaskers, de haarstukjes, de pennen, de reisbroek, de stofzuiger. Iedereen die geen kaartje voor het boekenbal heeft kunnen krijgen, kan ik aanraden naar het nieuwe Letterkundig Museum te gaan: een boekenbal voor dode schrijvers.