De wissel was Bos' eigen schaakspel

Wouter Bos maakte van de partij zíjn partij. Hij koppelde successen aan tegenslagen, alles van eigen makelij. Zijn vertrek is het einde van een tijdperk.

En weg was Wouter. In tranen maakte hij gistermorgen in de fractiekamer van de PvdA zijn besluit bekend de politiek te verlaten. Ook veel Kamerleden en ex-bewindslieden, die dachten dat zij die ochtend bijeen waren geroepen om te brainstormen over de verkiezingscampagne, lieten een traan. Daarna overheerste de verbijstering.

De vader van drie jonge kinderen wil meer tijd aan zijn gezin besteden. Een legitieme keuze, luidt het algemene oordeel. Maar vraagtekens zijn er wel bij het moment. Binnen het CDA wordt in elk geval met nog meer achterdocht gekeken naar de val van het kabinet, twee weken geleden. Het verwijt uit die hoek was al dat de PvdA uit electorale overwegingen doelbewust had aangestuurd op de breuk. Nu komt daar de suggestie bij dat persoonlijke motieven van Bos een rol speelden. Wouter wilde schoon schip maken en niets kon hem ervan weerhouden het kabinet op te blazen, valt in CDA-kringen te vernemen.

Zelf zei Bos gisteren dat hij zijn besluit nam ná de val van het kabinet, maar nog vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart. Wel gaf hij toe dat hij al sinds 2007 over stoppen denkt. Sinds die tijd voert hij gesprekken met de Amsterdamse burgemeester Job Cohen over de vraag of deze hem wilde opvolgen. De afgelopen weken liet hij de buitenwereld, ook zijn meeste collega’s in de partijtop, heel bewust in de waan dat de PvdA met hem als partijleider de verkiezingen in zou gaan. Wie zegt dat hij weg gaat, is de facto vertrokken. Was dat wel moreel verdedigbaar, nu collega’s in dezelfde periode het moeilijke besluit namen zich wel of niet voor de Tweede Kamerverkiezingen te kandideren?

Martin van Hees, hoogleraar ethiek en politieke theorie, vindt van wel. „Het was juist zuiver om de gemeenteraadsverkiezingen niet te belasten met een wisseling in de landelijke top.” Omdat Bos er tegelijkertijd in geslaagd lijkt zijn opvolging te regelen, spreekt Van Hees van een prijzenswaardig vertrek. „Cohen is onomstreden in de partij. Het is voor het eerst in jaren dat een opvolgingskwestie zo elegant is afgerond.”

De wissel was Bos’ eigen schaakspel, mogelijk geworden doordat de PvdA zíjn PvdA was geworden. Op eigen kracht wist hij immers in 2002, in een directe verkiezing door de leden, partijleider te worden. Dat gebeurde na het door de zware verkiezingsnederlaag gedwongen vertrek van Ad Melkert. Moderniseren van de partij was Bos’ belangrijkste doel.

Vervolg Bos: pagina 3

Eerst niet alert, later dronken van succes

Het ‘Bos-effect’ blijft niet uit nadat de partij in 2003 opnieuw buiten de regering staat. De PvdA schiet omhoog in de peilingen en haalt bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006 een monsterscore. Maar bij de vervroegde verkiezingen voor de Tweede Kamer eind 2006 is de populariteit al weer geslonken en blijft de PvdA ver achter bij het CDA. Beide partijen gaan wel met elkaar regeren en Wouter Bos, die aanvankelijk heeft beloofd in de Tweede Kamer te zullen blijven, kiest toch voor het kabinet. Hij wordt vicepremier en minister van Financiën.

Zijn eerste jaar in het kabinet wordt een martelgang. Zijn partij zucht onder de gesloten compromissen. Waarom geen gratis kinderopvang, waarom geen onderzoek naar de steun voor een oorlog in Irak? Waarom geen nieuw referendum over de herziene versie van de Europese Grondwet, zoals de sociaal-democraten hadden beloofd in de campagne?

De combinatie van partijleider en minister van Financiën lijkt Bos te verlammen. Hij is niet alert. „Misschien had ik gewoon tijd nodig om de verkiezingsnederlaag van november 2006 te verwerken”, zegt hij daar later over in deze krant. „Misschien had de partij ook tijd nodig om niet alleen zuur terug te kijken naar wat we allemaal níét bereikt hadden in het regeerakkoord, maar ook over te gaan naar een periode waarin je je realiseert wat je wel hebt bereikt.”

Langzaam keert zijn zelfvertrouwen terug. Prinsjesdag 2008, waar voor het eerst wezenlijk moet worden ‘omgebogen’, verloopt verrassend soepel. Praktisch op hetzelfde ogenblik breekt de wereldwijde kredietcrisis uit. Het blijkt voor Wouter Bos hét moment van zijn wederopstanding. Hij excelleert in crisissituaties, toont zich een bekwame vakminister die bovendien de complexe noodhulp aan de financiële sector goed kan uitleggen. Schijnbaar moeiteloos koopt Bos het ene na het andere belang in een bank en verkoopt het verhaal dat daar bij hoort. Hij speelt met het onderwerp, kan improviseren en speecht met zichtbaar gemak uit het hoofd. Hij wordt politicus van het jaar, is niet van de buis te slaan. Wouter kan dronken worden van succes, waarschuwen collega’s.

Hij wordt er overmoedig van. Soms krijgen ze gelijk. Bos suggereert iets te makkelijk dat bank en verzekeraar Fortis tegenvallers verborgen hield. De noodhulp gaat wel ten koste van Bos’ ambitie om net als Wim Kok te bewijzen dat ook een sociaal-democraat goed ’s Rijks financiën kan beheren. De staatsschuld steeg met de helft, tot circa 380 miljard euro. Bij aantreden in 2006 was er een begrotingsoverschot van 3 miljard euro. Nu stevent het Rijk af op een jaartekort van 35 miljard euro.

Bezuinigen dus. De campaigner Bos keek al uit naar de voor 2011 voorziene campagne. Het zou gaan om „de grote verdelingsvraagstukken”. De verkiezingen zijn zelfs een jaar eerder. Papa Bos doet niet meer mee.