De regen is nu de grote vijand

Dakloos, geen sanitaire voorzieningen en het regenseizoen begint bijna. Een nieuwe ramp dreigt voor 1,3 miljoen Haïtianen.

De regen viel twee dagen lang met harde tikken op het dekzeil. Onophoudelijk. Fanold Porcenat probeerde zijn nieuwe huis, een zelfgemaakte tent, van binnen droog te houden. Maar het water stroomde hellingafwaarts. Het was vechten tegen de bierkaai.

Het tentenkamp waar Porcenat sinds de aardbeving van 12 januari in Haïti woont, ligt op Place Saint-Pierre, een hellend plein gelegen in een hoger deel van de hoofdstad Port-au-Prince. „De regen is straks onze grootste vijand”, zegt de autoverkoper.

Als het regent, stroomt niet alleen water naar beneden. Al het vuil van de straat stroomt mee, tussen de tenten door, of naar binnen. Ook ontlasting, want toiletten zijn er niet in het kamp. Porcenat: „Het stinkt hier. Eerst was er de geur van dood in de straten, nu die van ontlasting. De regen verspreidt het vuil. Het kan drinkwater besmetten en ziektes veroorzaken. Veel kinderen hebben al last van diarree.”

Zo’n twee maanden na de aardbeving, waarbij volgens de Haïtiaanse overheid ten minste 222.570 doden vielen, is de schok enigszins voorbij. Maar er hangt een nieuwe dreiging in de lucht. Het regenseizoen komt eraan. De recente buien zijn een voorbode van wat gaat komen in mei.

Iedereen maakt zich zorgen: de tentenkampbewoners, de niet-gouvernementele organisaties, de Verenigde Naties en de regering. Afgelopen woensdag waarschuwde de Amerikaanse president Obama tijdens een bezoek van zijn Haïtiaanse collega Préval, dat „een tweede ramp” moet worden vermeden: een grootschalige uitbraak van ziektes door gebrekkige sanitaire voorzieningen.

Duizenden tenten en toiletten zijn nodig. Het risico op zo’n ‘sanitaire ramp’ is groot. Veel van de afvoerputten in de stad zijn deels verstopt door ophopend afval. Er wordt gevreesd voor uitbraken van ziektes als tyfus, cholera, malaria en dengue.

„Eind dit jaar willen we 55.000 toiletten (chemische en latrines) in de stad hebben staan, gemiddeld een voor twintig mensen. Nu is er een wc beschikbaar per honderd mensen”, zegt Souleymane Sow, coördinator van het sanitaire cluster van UNICEF.

Er is ook transport nodig, om de ontlasting naar een stortplaats te rijden. Op zijn minst 45 vrachtwagens, volgens UNICEF. En de kanalen en de riolen in de stad moeten worden schoongemaakt. „Als die vollopen met water en alles komt naar boven drijven, dan heb je grote problemen”, zegt Sow.

Naar schatting zijn er meer dan 1,3 miljoen mensen dakloos geworden in Haïti. Een groot deel van hen woont in geïmproviseerde kampen, zo’n vijfhonderd in totaal, met een omvang van 20.000 tot 60.000 mensen. Veel kampen zijn gebouwd tegen berghellingen, kwetsbare plekken waar aardverschuivingen levensgevaarlijke situaties kunnen veroorzaken.

Een van de grootste kampen in Port-au-Prince ligt op de voorheen exclusieve golfclub, Club de Pétionville. Het is een wat surrealistische locatie, waar grofweg 60.000 mensen leven. Op de top van de heuvel ligt de chique club met zwembad en speeltuin. Maar daarnaast bevinden zich nu een veldhospitaal en een tandheelkundige kliniek. Tegen de kale heuvels zijn duizenden tenten opgezet, met stevige dekzeilen van ngo’s. Het is een redelijk goed georganiseerd kamp, waar verschillende organisaties en het Amerikaanse leger actief zijn.

Een veiligheidsdienst van vrijwilligers houdt er 24 uur per dag de boel in de gaten, vooral om geweld tegen vrouwen en kinderen te voorkomen. „Er zijn twee vrouwen verkracht en de daders zijn aan de politie uitgeleverd. Sindsdien is het rustiger”, zegt bewaker Martine Leandre.

In een van de tentjes, gemaakt van blauw zeil, woont de 45-jarige Lily Petit met haar dochter Fabienne. Er is geen zeil voor een vloer. In droog zand houden kleine haringen het bouwsel overeind. Veel houvast zal het niet geven, vreest Petit, als water de heuvel afstroomt. „Ik heb een geul gegraven, maar als de buien echt doorzetten, heb je daar niets aan.”

Vlak bij haar is een openluchtwachtkamer van een artsenpost. Er zijn veel vrouwen met kinderen en ouderen. Een Amerikaanse verpleegkundige, Alex Benett, is er samen met een arts aan het werk. „Er zijn gevallen van malaria”, zegt ze. „Ik durf er niet aan te denken hoe het over een maand of twee zal zijn. Welke ziektes er dan nog meer uitbreken. Bovendien zijn er nog de aardverschuivingen.”

Voor Lily Petit is weggaan geen optie. Waar moet ze heen? Ze heeft geen idee. Haar huis is kapot. Je moet toch ergens wonen. Maar Petit weet dat haar tent het niet zal redden als de regenbuien beginnen.

Het kamp bij Club de Pétionville is door de aan de VN gelieerde Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) gemarkeerd als een Rode Zone-kamp. Daar zijn er zeven van en ze moeten worden opgebroken wegens het gevaar van aardverschuivingen. Dat moet voor april gebeurd zijn.

Waar moeten de mensen in die kampen naartoe? Naar speciale zones aan de rand van de stad? Of moeten ze in de stad blijven? Zelf blijven ze het liefst, in de stad hebben de mensen hun contacten, hun handel, verkopen ze groente, fruit of brood. Hun families en vrienden wonen er.

Mark Turner, woordvoerder van IOM: „In de buurt van het kamp [bij de golfclub, red.] zijn nu wijken aangewezen die worden opgeruimd, waar het puin zal worden weggehaald.” Ingenieurs gaan de huizen die nog overeind staan onderzoeken en beoordelen welke wel en niet kunnen blijven staan. „We gaan proberen zoveel mogelijk mensen uit het kamp daar naar toe te loodsen”, zegt Turner.

Op de Place Saint-Pierre zegt autoverkoper Fanold Porcenat dat hij ook wel terug zou willen naar zijn straat. Maar wie zal hem helpen? Zijn tentenkamp wordt toch een beetje genegeerd door de buitenwereld. „Wij hebben nog steeds geen toiletten. Hoe kun je zo een waardig leven leiden?”