De melancholie van handel

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad. Deze keer is hij in Antakya, bij de Turks-Syrische grens. Aflevering 7.

De directeur van het archeologisch museum in Antakya heeft een secretaresse om zijn jas gevraagd en nu vist hij uit zijn regenjas een beduimeld papier.

„Dit museum trok afgelopen jaar 231.000 bezoekers”, zegt de directeur terwijl hij het papier gladstrijkt. „Van wie 74.000 niet uit Turkije afkomstig waren.”

Achter de directeur hangt een groot portret van Atatürk. Atatürk is alomtegenwoordig. Geen stad of er is een standbeeld van hem. Geen hotel of er hangt een portret van hem aan de muur.

De directeur van het museum heet Faruk Hinç. Hij heeft wit haar en een witte snor.

Hij vertelt dat hij nierstenen heeft. Het plassen is een hel geworden.

Antakya ligt in een uithoek van Turkije, niet ver van de Syrische grens. De Fransen zijn hier geweest, de Ottomanen; na een referendum besloten de burgers van Antakya en omgeving dat ze liever bij Turkije wilden horen dan bij Syrië. En er wordt beweerd dat hier in een grot, die is omgebouwd tot kerk, de eerste mensen bijeenkwamen die zich christenen noemden. De grot van de Heilige Petrus bestaat uit een grot met een altaar. Geen toeristen. Twee souvenirstalletjes, twee suppoosten. Een heuvel met kinderen en plastic zakjes.

Pas bij de grot van de Heilige Petrus drong het tot me door dat handel melancholie is.

Hinç ondertekent diverse brieven terwijl hij spreekt: „Ik ben archeoloog en ik houd van mijn werk, want voor het geld hoef ik het niet te doen.”

Het archeologisch museum heeft voornamelijk mozaïeken in zijn collectie. Op twee kilometer afstand van het museum heeft Ahmet Bostanci een winkeltje genaamd Antakya Mozaik, waar de mozaïeken uit het museum, inclusief beschadigingen en ontbrekende steentjes, worden nagemaakt. Een leek ziet het verschil niet.

Hinç kijkt nauwelijks op als ik afscheid van hem neem. Zijn gedachten zijn niet bij het museum, maar bij zijn nierstenen.

Mijn chauffeur zegt: „Ik had ook nierstenen, maar ik ben er vanaf.” Hij geeft de directeur een doosje medicijnen.

Morgen gaan we naar Syrië. Dit is het moment een hamam te bezoeken.

De chauffeur begeleidt me.

„Wil je jezelf wassen of worden gewassen?” vraagt hij, maar hij voegt eraan toe: „Worden gewassen is beter.”

Een theedoek wordt voor mijn geslachtsdeel gebonden.

Een rossige man met een flinke buik wast me. De theedoek wordt losgetrokken. Alles moet schoon.

Ik denk aan de eerste christenen.

Wat van de mensen zal overblijven, zijn hun onverkoopbare voorraden. (wordt vervolgd)