Arrogantie op een hangertje

Aynouk Tan bluft zich naar binnen bij de showrooms in Parijs om de herfst/wintercollecties van 2010 te zien. ‘Zijn dat rafels bij die stiknaad?’

De perswoordvoerder van modeontwerper Haider Ackermann vraagt zich af wie ze in godsnaam aan de telefoon heeft. „Tan?! Nóóit van gehoord.” Dat deze journalist voor een Nederlandse krant werkt, interesseert haar geen biet. Op minachtende toon verzucht ze dat de prioriteit deze modeweek bij tijdschriften als Glamour ligt. Onlangs hebben zij nog flink reclame voor Ackermann gemaakt door zijn kleren op de cover te plaatsen. „U kunt mij iets dergelijks niet garanderen?” Ze verzoekt uitdrukkelijk om haar kostbare tijd niet langer te verspillen. Met een smak gooit ze de hoorn op de haak. En daarmee is de kans om iets te schrijven over het werk van Ackermann verkeken.

De Parijse pr-bureaus worden grof betaald om zich te gedragen als een groep middelbare scholieren die anderen graag kleineert om de eigen populaire status te behouden. Want exclusiviteit verhoogt de vraag naar de creaties van hun klanten aanzienlijk. En daarom stellen de pr-bureaus eisen aan modetijdschriften. De reportage moet aansluiten bij de strategie van het pr-bureau, anders worden de kleren niet uitgeleend en stylisten niet uitgenodigd voor de modeshows. Het is een van de redenen waarom modeseries in tijdschriften er vaak uitzien als reclamecampagnes.

In ruil voor hun toewijding krijgen redacteuren van modebladen een plekje op de tweede rij of de front-row bij de halfjaarlijkse modeshows. Of, nog belangrijker, een advertentie in hun tijdschrift.

Media die niet afhankelijk zijn van de inkomsten van modeadvertenties, maar wel een groot bereik hebben, worden soms ook toegelaten tot de elite. Althans, totdat ze een kritisch artikel schrijven. Zo is Suzy Menkes, de modejournaliste van The International Herald Tribune, even niet welkom geweest bij de shows van Louis Vuitton. Cathy Horyn, de recensente van The New York Times, krijgt geen uitnodiging van Dolce & Gabbana en ook bij de modepresentaties van Giorgio Armani is ze verbannen. Volgens de ontwerper was haar commentaar ‘onnodig sarcastisch’ en kon hij in haar artikel vrijwel ‘geen positieve opmerkingen’ vinden.

Zonder toegang tot een show kan een journalist geen goed oordeel vellen. Ook de live-uitzendingen van de modeshows op internet kunnen daar geen verandering in brengen. Er zijn wel recensenten die een show louter digitaal beoordelen, maar dat is toch als een muziekrecensent die een popconcert op internet bekijkt. Modehuizen zijn er ook niet bij gebaat om hun shows op maat te maken voor het miljoenenpubliek van het internet. Het zou betekenen dat ze kritische journalisten niet meer kunnen weren en de hoofdredactrice van Vogue niet meer kunnen paaien met een ‘belangrijk’ plekje.

Wil uw verslaggever wel meewerken aan het Parijse modesysteem dat gebaseerd is op chantage? Een goede reden om dat wel te doen, zijn de prachtige kleren die ontwerpers als Haider Ackermann en Hussein Chalayan maken. Bij laatstgenoemde was ‘Tan’ overigens wel welkom. De Turks-Cypriotische politiek geëngageerde ontwerper inspireerde zijn herfst/wintercollectie 2010 op een roadtrip door Amerika en maakte bijvoorbeeld een poncho met daaraan vast een cowboyhoed. Het roadtripthema verbeeldt Chalayans enorme drang naar vrijheid. De ontwerper is politiek geëngageerd en heeft vaak een boodschap met zijn collecties. Hij hecht niet aan exclusiviteit. Het is misschien geen toeval dat hij al vaak op de rand van een faillissement heeft gebalanceerd.

Maar wat moet Tan dan doen als ze toch de kleren wil laten zien? Er is maar één manier: haarzelf naar binnen bluffen en net zo arrogant doen als de perswoordvoerders die haar willen weren. En schutkleuren aantrekken: een compleet zwarte outfit in dit geval. Alle imagomakers dragen zwart. Het is een symbool van hun macht. Seizoen-in-seizoen-uit dragen zij zwart om aan te geven dat ze boven de seizoenstrends staan, boven het spel dat ze zelf spelen.

In de showroom van het chique modehuis Lanvin rinkelt de kassa. Inkopers van winkels worden verleid met beelden van flinterdunne modellen op een bijzonder mooi uitgelichte catwalk. Ze kopen creaties met prijzen tussen de 5.000 en 10.000 euro. En hoewel ze deels betalen voor de bijzonder innovatieve ontwerpen van Lanvin, betalen ze het meest voor het exclusieve imago.

Eenmaal binnen bij de showrooms mogen de meeste kleren niet worden aangetrokken. Maar zo’n jurk als van Dior mag ook best op het hangertje blijven. Hij had net zo goed ergens in de Kalverstraat kunnen hangen. En zijn dat rafels daar bij die stiknaad? En die kaftan van Jean Paul Gaultier heb ik geloof ik ook wel eens op de Albert Cuypmarkt zien liggen. Het zijn ontwerpen voor exclusieve, maar makke schapen – niet voor een wolf in zwarte schaapskleren.