'Woordkunstenaar'

Vroeger verdedigde ik in politieke discussies met mijn vader altijd Hans van Mierlo. Ik moet eraan denken nu in de necrologieën over Van Mierlo steeds aanduidingen als ‘woordkunstenaar’ en ‘meester van de paradox’ opduiken.

Mijn vader had wel sympathie voor Van Mierlo als persoon – wie eigenlijk niet – maar van de politicus Van Mierlo moest hij weinig hebben. Hij vond hem in zijn uitlatingen veel te vaag. Als Van Mierlo weer eens door een tv-interviewer langdurig welwillend was ondervraagd, zei mijn vader: „Wat heeft-ie nou eigenlijk gezégd? Hij is drie kwartier aan het woord geweest, maar ik heb nog steeds geen flauw idee wat hij met Nederland wil.”

Aan mij vervolgens de taak om de filosofisch getinte woordkunst van Van Mierlo tot een concrete kern terug te brengen – wat inderdaad niet zo gemakkelijk was. „Het gaat ook om de mentaliteit”, zei ik nog wel eens in arren moede, „die man deugt”. Ook geen argument waar ik mijn vader mee kon imponeren. Hij neigde naar rechts, eerder nog naar de VVD dan naar de KVP, in mijn jeugdige ogen vermolmde partijen.

„Wat wil D66 dan precies?” vroeg hij. „Ontploffing van het politieke bestel? En dan?”

Als ik tegenwierp dat ze eventueel ook zichzelf overbodig wilden maken, moest hij onhartelijk lachen. „Wie houdt ze tegen?”

Ook veel later, toen ik meer met uitgesproken linkse mensen in aanraking kwam, voerde ik dergelijke gesprekken over Van Mierlo. Opnieuw werd ik in de verdediging gedrongen. Evenals mijn vader hadden zij weinig fiducie in Van Mierlo en zijn partij. Ze vonden het maar een modieus zooitje, grachtengordelgedoe van mensen die zich te sjiek voelden voor een linkse partij en daarom een opportunistische middenpartij kozen: modern, maar toch veilig.

„Stem jij Van Mierlo?” vroegen ze met een mengeling van ongeloof en argwaan. Ik begon ze tegen te vallen, dat was duidelijk. Het was een vorm van politieke vaandelvlucht waar ik me voor diende te schamen. Ik stemde inderdaad wel eens Van Mierlo – nooit D66. Die staatkundige vernieuwingen waar hij zo op hamerde, konden me niet veel schelen. In zijn beste tijden belichaamde Van Mierlo voor mij vooral het gewenste midden tussen links dogmatisme en rechts conformisme.

Het was, sorry pa, inderdaad een kwestie van ‘mentaliteit’.

Een land waar Van Mierlo met zijn gevoel voor redelijkheid de toon van het publieke debat mede mocht bepalen, was een prettig land, geen land waar je, zoals nu, steeds over je schouder moet kijken. Het is dan ook goed te begrijpen dat Van Mierlo, zoals zijn vrienden zeggen, nog in zijn laatste dagen moest gruwen van het huidige politieke klimaat. Hij durfde wel degelijk te zeggen wat hij dacht, maar hij speelde nooit op de man. Een heer in het politieke verkeer.

Het was niet altijd duidelijk wat hij wilde, daar had mijn vader wel gelijk in, maar je wist dat hij een politicus was die bereid was zich te laten overtuigen – al was het maar om een compromis te bereiken. En verder? Over zijn persoonlijke leven heeft hij in het openbaar nooit veel losgelaten, maar het was duidelijk dat hij van een goed glas bier, een mooi gedicht en aardige vrouwen hield. Ook dat straalde hij goddank uit: dat er méér is dan politiek – iets waar inmiddels ook Camiel Eurlings en, tot mijn verbijstering, zelfs Wouter Bos achter gekomen zijn.