Wie is de slang in de Groene Bloem-trilogie?

Floortje Zwigtman: Spiegeljongen. De Fontein, 14+, 624 blz. €19,95

Helemaal achterin Spiegeljongen houdt schrijfster Floortje Zwigtman een vurig pleidooi voor de rechten van lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders. Het klinkt behalve als oprecht engagement ook als een poging om het thema van haar nu voltooide trilogie over Londen in de Victoriaanse tijd door te trekken naar de wereld van nu. En ja, ook nu nog wordt in veel landen iedereen die niet duidelijk een heteroseksuele man of vrouw is, beschimpt, uitgestoten, bestraft, vervolgt of mishandeld.

Toch doet Zwigtman met deze pamflettistische nabrander af aan haar Groene Bloem-trilogie. De rode draad is het wrede coming of age-verhaal van een homoseksuele volksjongen, die van nabij meemaakt hoe geliefden en beroemde lotgenoten worden vernietigd door het politieke establishment en in mindere mate het homofobe klootjesvolk. Maar de kleine 2000 pagina’s bieden zo veel meer: inzicht in politieke machinaties, ontmaskering van schijnheiligheid, beschouwingen over literatuur en beeldende kunst, ervaringen van lust en liefde, spelletjes met symbolen en motieven en talloze interessante historische wetenswaardigheden.

Zwigtman heeft al deze elementen aaneengesmeed tot een imposante roman, waarin historische feiten organisch zijn opgenomen in een goeddeels verzonnen verhaal. De trilogie drijft voor een deel op de historisch goed gedocumenteerde ondergang van Oscar Wilde, die zijn hand overspeelde in de strijd met de hooggeplaatste vader van zijn geliefde Bosie. En voor een ander deel op een vergelijkbare maar gefingeerde noodlotsgeschiedenis, namelijk het liefdesverhaal van hoofdpersoon Adrian Mayfield met de schilder Vincent Farley.

In Spiegeljongen treurt Adrian over zijn geliefde, die hem onder druk van zijn steenrijke familie heeft verstoten. Wraak, jaloezie, wanhoop, verzoening en uiteindelijk liefde domineren het slotdeel, waarin de rechtsgang tegen een uitgebluste Wilde het treurige eindspel beleeft. Net als in de vorige delen wordt in dit deel het fin-de-siècle Londen – en deze keer ook Parijs – van Zwigtman bevolkt door kleurrijke criminelen, met als meest kleurrijke een manlijke ‘Lady’ die kinderen ontvoert en verkoopt.

Zwigtman toont zich opnieuw een vernuftige verteller, die bijna schildert met historische details. Adrian wordt met zilver- en zinksulfaat behandeld voor een inwendige druiper. Zwigtman ontleent de kennis aan een medische artikel uit 1884 en beschrijft indringend de hellepijn van de behandeling. Zwigtman heeft in de archieven veel prachtige vondsten gedaan en die vervolgens overtuigend tot leven gebracht. Zoals een brief van Wilde aan Bosie, die Zwigtman heeft omgesmeed tot een prachtige dialoog van Wilde met Adrian.

Helaas slaat Zwigtman door in haar liefde voor details. Niemand kan ontbijten zonder dat ze opsomt wat er op tafel staat. Parfumflesjes? Zwigtman noemt alle merknamen. Bezoek aan Parijs? Alle bezienswaardigheden komen langs. Het opschrijfboekje van een Amerikaanse sensatiejournalist krijgt consequent het epitheton ‘moleskine’. Zwigtman heeft in haar beschrijvingen een voorkeur voor een mengsel van zelfkant en glamour. Na Londen worden nu ook in Parijs de uitgaansgelegenheden (Moulin Rouge) uitvoerig belicht. Je snakt op een gegeven moment naar informatie over bijvoorbeeld wetenschap en industrie, die zich rond 1900 spectaculair ontwikkelden. Zwigtman vervalt bovendien in herhaling, want ook deel drie biedt weer afpersers en mensen die homo’s willen bekeren.

Een fundamenteler probleem zijn de tientallen historische en verzonnen personages in de trilogie. Adrian vergelijkt de manipulerende kinderhandelaar en de kuipende upperclass broer van zijn ex-geliefde met poppenspelers. Dat is ook de perfecte benaming voor de schrijfster in deze trilogie. Maar poppen laten bij de lezer geen blijvende indruk achter. August Trops, de fictieve Vlaamse schilder die vooral in het eerste deel de show stal, was een van weinige ‘ronde’ personages. Net als Oscar Wilde, die tot het eind toe een onderhoudende causeur is. Maar hun rol raakt in het derde deel uitgespeeld. De jonge Terry, die Adrian opnieuw laat geloven in de liefde, is weliswaar een verfrissend personage maar zijn rol is te klein om Trops en Wilde te vervangen.

De bleekheid van de personages vloeit voort uit Zwigtmans keuzes. De schrijfster is geen alwetende verteller, maar laat de lezer alles beleven door de ogen van de inmiddels 17-jarige hoofdpersoon. Dat is goed verdedigbaar in een jeugdroman, maar het breekt het boek wel op. Adrian is namelijk een typische overlever, die de wereld ziet als een slagveld van verraad en manipulatie. Gesprekken en gedachten worden daardoor zo gekleurd, dat bijna geen enkel personage zijn rol mag ontstijgen.

Dat is goed te zien aan de vrouw waarmee Adrians ex-geliefde Vincent uiteindelijk huwt. Adrian ziet haar als een naïef schaap dat alleen maar wordt gebruikt om de eer van de familie Farley te redden. Hoe waar dat ook moge zijn, het is saai om steeds over Octavia te lezen als een bewonderende en bloemen kwekende babbelaarster. Als een veel oudere Vincent in een ontroerende epiloog terugblikt op zijn leven en huwelijk, krijgt Octavia wel vlees en bloed.

Een romantische ontmoeting van Vincent met Octavia toont ook de kracht van de trilogie. Het rendez-vous heeft plaats in een rozentuin, die er bij Zwigtman uitziet als een prerafaëlitisch schilderij. Octavia citeert uit een gedicht over rode en witte rozen. Zwigtman laadt de gebeurtenis verder met bijbelse betekenis door Adrian te laten gluren vanaf een tak, als de slang in het paradijs. De lezer kan zich alleen maar afvragen: wie is de echte slang? De wraakzuchtige ex-geliefde? Of de Adam die een onoprecht huwelijk met zijn Eva zal aangaan? Dat dergelijke vragen opborrelen, toont de diepgang van de trilogie. Je zou willen dat meer schrijvers zoveel vragen van hun jonge lezers en hun ook zoveel bieden. zwigtmans vertelkracht is zo groot dat haar trilogie ondanks gebreken als een meesterwerk kan worden betiteld.