Verscholen achter faam en legendes

Onvergetelijk zijn de reisboeken, uit Ethiopië, Afrika en Iran van de Pool Ryszard Kapuscinski. Zijn gedrevenheid staat niet ter discussie. Het waarheidsgehalte van zijn werk wel.

Artur Domoslawski: Kapuscinski, Non-Fiction. Swiat Ksiazky, 605 blz. 49,90 zloty; ca. € 15,-.

Een taal heeft een melodie en in de Poolse is die meeslepend, opgewonden, dramatisch. Nog geregeld schrik ik bij het horen van straszny (vreselijk) of nieprawdopodobny (ongelofelijk), woorden waarin de R rolt als een mitrailleursalvo. Bij nader inzien blijkt er dan niet veel aan de hand te zijn. Een beginnende keelpijn of een te koud geserveerde soep kan al straszny zijn.

Aan die overdrijvingkunst moest ik vaak denken tijdens het lezen van Kapuscinski, Non-Fiction, een nieuwe biografie over de Poolse sterreporter Ryszard Kapuscinski (1932-2007). Het boek zorgt voor ophef, omdat het twijfel zaait over het waarheidsgehalte van zijn bejubelde werken, zoals De Keizer (1978) en Sjah aller Sjahs (1982). Journalistiek-literaire werken die volgens biograaf Artur Domoslawski voortaan beter als ‘fictie’ kunnen worden verkocht.

Domoslawski, journalist bij het invloedrijke dagblad Gazeta Wyborcza, krijgt in eigen land harde kritiek te verduren. Hij zou een opportunist zijn, die over de rug van zijn leermeester – de twee waren bevriend – het licht van de schijnwerpers zoekt. De biograaf voelde de bui hangen. In het nawoord vraagt hij de vele bewonderaars van Kapuscinski om ‘vergiffenis’. ‘Ik heb alleen maar geprobeerd om de feiten van de mythe te scheiden.’

Overdrijven

Over Kapuscinski, de grootste journalist van de 20ste eeuw genoemd, deden legendes de ronde. Hij zou bevriend zijn geweest met befaamde vrijheidsstrijders – Che Guevara, Patrice Lumumba – en naar eigen zeggen zijn ontsnapt aan een Belgisch vuurpeloton in Kongo. Domoslawski ontrafelt die in 600 goed gedocumenteerde bladzijden.

In Kongo reisde Kapuscinski samen met een Tsjechoslowaakse collega, die een andere versie geeft van het incident met de Belgen. Het ‘vuurpeloton’ waren ruwgebekte douaniers op een vliegveld, die moeilijk deden over visa. In de biografie geciteerde vrienden zeggen dat de Pool vaker de neiging had tot overdrijven. ‘Alles wat hij zei deelde ik ten minste door twee’, aldus een van hen.

Dat Kapuscinski Guevara en Lumumba kende stond alleen op de achterflap van de Engelstalige uitgave van De Voetbaloorlog (1978). Toen Guevara-biograaf Jon Lee Anderson hem hier naar vroeg, antwoordde Kapuscinski. ‘Ach, dat is een fout van de uitgever.’ Een fout die in de volgende edities niet werd gecorrigeerd, twintig jaar later ook op de Engelse versie van Ebbenhout (1998) stond en geregeld opdook in publicaties over Kapuscinski. Anderson zweeg al die jaren, uit respect voor zijn idool.

In Ethiopië, onderwerp van De Keizer, weten ze al langer dat de Pool de feiten kleurde. Journalisten en wetenschappers daar doen het boek over Haile Selassie (1892-1975) af als ‘sprookjes en kletskoek’. Ja, de keizer hield van hondjes, maar zou nooit hebben toegestaan dat die de schoenen van dignitarissen onderplasten, zoals in het boek staat. Wilde verhalen, verspreid door straatventers. Over Sjah aller Sjahs zegt een professor: ‘Sla een willekeurige pagina open en ik toon u wat er fout of onnauwkeurig is.’

Het is zonder meer een onthullende biografie, die Kapuscinski-fans zullen ervaren als een koude douche, maar Domoslawski verliest nuances en context niet uit het oog. In een gesloten samenleving als Ethiopië was de straat vaak de enige bron. ‘Over Haile Selassie kenden we alleen maar roddels’, zegt een Ethiopische professor die het voor ‘de chroniqueur van Afrika’ opneemt. ‘Velen van ons hadden een mythisch beeld van de keizer. Kapuscinski blaast dat omver. Dat is de grote verdienste van het boek.’

‘Het gaat om de essentie der dingen’, riep Kapuscinski eens tegen een vriendin, die hem wees op feitelijke onjuistheden in een artikel. Dat hij ‘tot die essentie’ wist door te dringen staat buiten kijf. In de biografie erkennen zelfs zijn grootste critici dat hij als geen ander de mechanismen van de macht en de uitwerking daarvan op menselijke relaties wist te beschrijven.

Was zuivere journalistiek eigenlijk wel mogelijk in het onzuivere, ja perverse klimaat van het toenmalige, communistische Polen? Het is een vraag die – terecht – geregeld terugkomt in de biografie. Om te kunnen reizen en schitteren moest Kapuscinski, zoals zoveel grote Poolse schrijvers en kunstenaars uit die tijd, een pact sluiten met de duivel. De Poolse geheime dienst (SB) was zeer benieuwd naar de ontmoetingen van de – decennialang enige – correspondent van staatspersbureau PAP en verwachtte enige coöperatie. Die kreeg ze ook. Kapuscinski schreef, onder het pseudoniem Dichter, verschillende rapporten voor de SB en schuwde daarin het communistische bureaucratenjargon niet. Zo zijn joden opeens ‘zionisten’. Schreef hij dat uit overtuiging of hield hij de SB een kluif voor om met rust te worden gelaten? Het laatste waarschijnlijk. Volgens Domoslawski hebben de gortdroge rapporten niemand schade berokkend. Kapuscinski koos zijn ‘slachtoffers’ zorgvuldig: doorgaans landgenoten die duidelijk niet naar Polen terug wilden.

Irritatie

Domoslawski stelt de gedrevenheid en moed van Kapuscinski niet ter discussie. De reporter zag zich geregeld wel degelijk gesteld voor levensbedreigende situaties. Hij moest halsbrekende toeren uithalen om het Afrikaanse continent te bedwingen. Maar het grootste gevaar kwam wat hem betrof uit Polen. Kapuscinski was altijd bevreesd dat iemand in Warschau een streep door zijn vrije bestaan als wereldreiziger zou halen.

Het beeld dat uit de biografie oprijst, is dat van een onzekere man die iedereen te vriend houdt, polemiek uit de weg gaat – Kapuscinski nam zelden publiekelijk stelling – en zich verschuilt achter wereldfaam, legendes en een prachtige, warme glimlach. En ook achter indrukwekkende statistieken – de reporter wist altijd precies te vertellen hoeveel staatsgrepen, oorlogen en revoluties hij had meegemaakt, alsof hij bezweringsformules opdreunde.

Na de val van het communisme in Polen schreef Kapuscinski Imperium (1993), over de teloorgang van het Sovjetrijk. In het hoofdstuk hierover slaat opeens de irritatie toe bij Domoslawski. Kapuscinski kende het systeem als geen ander (hij was lang zelfs partijlid), had er zijn levenlang een haat-liefdeverhouding mee, de communisten waren zijn broodheren én kwelgeesten. Maar in Imperium meet hij zich de houding aan van een buitenstaander. Een gemiste kans, vindt Domoslawski. ‘Met zijn talent voor het observeren van menselijke verhoudingen en daden en zijn unieke vermogen tot empathie had hij iets nieuws kunnen bijdragen aan de kennis over het communisme, over de 20ste eeuw.’ In Imperium is het Sovjetrijk, waarvan Kapuscinski tegen wil en dank een ‘onderdaan’ was, net zo ver weg als Afrika.