Tolk van de burgerij

Ongeveer een halve eeuw geleden stak in Nederland de moderne burgerij de kop op. De generatie die tijdens de wederopbouw een goede opleiding had genoten en daarna werk vond in de postindustriële dienstverlening, ontketende medio jaren zestig een revolutie tegen het verzuilde bestel, dat zich liet leiden door negentiende-eeuwse ideologieën over klassen en standen en individuele keuzen zo smoorde.

Deze laatste vooroorlogse generatie, die in de jaren dertig was geboren en voor wie de bezetting een beslissende jeugdervaring was, heeft decennia een dominante rol gespeeld. Ze leverde premiers, ministers en omroepdirecteuren.

Maar de belangrijkste politieke tolk van de nieuwe burger was de gisteren overleden Hans van Mierlo, parlementariër en tweevoudig minister voor zijn eigen geesteskind D66. Hoewel zijn loopbaan een wisselvallig patroon vertoonde en het openbaar bestuur amper is hervormd, heeft Van Mierlo in die bijna vijftig jaar een belangrijker stempel gedrukt op de Nederlandse politieke verhoudingen dan zijn bescheiden machtsposities en gesneefde ambities doen vermoeden.

Sinds Van Mierlo en D66 in 1967 met zeven zetels nogal onverhoeds op het politieke toneel verschenen – in die dagen een unicum – hebben alle grote politieke partijen zich één of meer keer opnieuw moeten uitvinden. Door de dreiging die van D66 uitging, voelden de klassieke partijen zich gedwongen meer politieke kleur te bekennen dan ze tot dan gewend waren.

De PvdA schoof naar links op en flirtte enige tijd met brede progressieve samenwerking. De VVD, die een behoudende volkspartij werd, moest altijd waken dat haar libertaire vleugel niet in de kou kwam te staan. En het CDA wist dat zijn abonnement op de regeringsmacht niet vanzelfsprekend was. Van Mierlo liet niet na te benadrukken dat de christen-democratie zich ook zou moeten verzoenen met de logica van de oppositie.

Maar toen het zover was, leidde dat niet tot een radicale herschikking van het politieke bestel. Na de paarse coalitie, die Van Mierlo forceerde en als minister vier jaar lang diende, kwam iets anders aan het licht: namelijk dat de moderne burgerij in Nederland was gescheurd. De hogere en de lagere middengroepen bleken in die jaren negentig zo uit elkaar gedreven dat ook de gemeenschappelijke politieke taal, die juist Van Mierlo bij uitstek sprak, werd doorbroken.

Dit leidde tot scherpere tegenstellingen, niet zozeer tussen traditioneel links en rechts maar tussen progressief en conservatief of open dan wel gesloten. Pragmatisme was niet het gevolg. Integendeel. De politisering langs etnische culturele lijnen nam de laatste jaren een hoge vlucht.

De diagnose van de politieke stagnatie van Van Mierlo was een halve eeuw helder. Maar dat heeft niet voorkomen dat ze is uitgemond in een politieke cultuur die hem een gruwel was. Ook daarin is Van Mierlo, de welbespraakte politieke commentator, symbool van de onvoltooide jaren zestig. De intenties van die ‘revolutie’ hebben, naar een geliefd woord van de oprichter van D66, paradoxale resultaten opgeleverd.