Tijd voor nieuwe feministische solidariteit?

Financiële zelfstandigheid van vrouwen is cruciaal.

Als je dat ontkent doe je aan elitair luxe-denken.

Volgens velen – in toenemende mate ook vrouwen – is de emancipatie van vrouwen zo goed als voltooid. De redenering is dan ongeveer zo. Vrouwen hebben voldoende keuzevrijheid gekregen. Dat zij in grote meerderheid kiezen voor deeltijdbanen in combinatie met de zorg voor kinderen, is juist een teken van die vrijheid. En daarover moet verder niet worden gezeurd.

Wat er nog over is van een feministische beweging in Nederland concentreert zich vooral op het glazen plafond voor vrouwen aan de top.

Mijn stelling is juist dat het met veel vrouwen in Nederland niet goed, of niet goed genoeg gaat en dat dit een verwaarloosd emancipatieprobleem is. Armoede en kansarmoede concentreren zich onder vrouwen; financiële en emotionele afhankelijkheid zijn eerder regel dan uitzondering.

Van de 10 procent hoogste inkomens in Nederland is 85 procent man. De laagste inkomensgroepen in Nederland bestaan voor tweederde uit vrouwen. Rijke mensen zijn veelal man en – helaas is het omgekeerde ook waar – arme mensen zijn vaker vrouw. Armoede komt het meeste voor onder jonge alleenstaande moeders in de bijstand. Bijstandsmoeders lopen het grootste risico op langdurige armoede.

Hier staat tegenover dat een toenemend aantal vrouwen een eigen inkomen heeft. Door loon of een uitkering heeft 84 procent van de vrouwen inmiddels zelf geld, tegenover 97 procent van de mannen. Het gemiddelde inkomen van vrouwen is echter nauwelijks de helft van dat van mannen. Vrouwen verdienden in 2006 gemiddeld 18.000 euro per jaar, bij mannen was dat 33.000 euro.

Slechts 45 procent van de vrouwen is economisch zelfstandig, wat betekent dat ze jaarlijks 70 procent verdienen van het wettelijk minimumloon. 55 procent van de Nederlandse vrouwen is voor een leefbaar inkomen – en daarmee voor verzekeringen, voor pensioenopbouw en voor het garanderen van de welvaart van de kinderen – afhankelijk van een partner.

Tegenover dit soort sombere getallen wordt vaak het verweer in stelling gebracht dat het in werkelijkheid wel meevalt met de armoede onder vrouwen: zij leven samen met een man die wel een groter inkomen inbrengt. Het zogenaamde anderhalfverdienersmodel, waarmee Nederland internationale roem heeft vergaard.

Eigenlijk is dat een excuus om de positie van vrouwen zo te laten als deze is, en dat is voor mij niet aanvaardbaar, om twee redenen.

Ten eerste strandt in Nederland inmiddels 1 op de 3 huwelijken. Een deel van de vrouwen die nu niet werken of een slecht betaalde deeltijdbaan hebben, wordt dus na een echtscheiding geconfronteerd met een forse daling van het inkomen.

Ten tweede zijn het vooral de vrouwen met lage opleidingen en nauwelijks werkervaring die geen inkomen hebben, of een heel laag inkomen. Zij hebben vaak slechte toegang tot de arbeidsmarkt. En kijk eens naar de privé- en maatschappelijke omstandigheden van veel Turkse en Marokkaanse vrouwen. Dikwijls door de vrouwen zelf, maar ook door hun mannen en de gemeenschappen wordt werk voor vrouwen nog beschouwd als oneervol en vernederend.

Het gemak waarmee de financiële afhankelijkheid van vrouwen wordt gebombardeerd tot een vrije keuze waarmee anderen zich niet hebben te bemoeien is een vorm van elitair luxe-denken. Voor te veel vrouwen in Nederland, autochtoon én allochtoon, gaat het wel om een gedwongen keuze die het gevolg is van slechte opleidingen, een gebrek aan kansen en ouderwetse rolpatronen.

Behalve voor nieuw politiek emancipatie-elan, pleit ik ook voor hernieuwde, feministische solidariteit. De vrouwenemancipatie was niet afgerond toen voor kansrijke meisjes de universiteitsdeuren opengingen. Achter hen, en op grote afstand, zijn er veel kwetsbare meisjes en vrouwen, die noodgedwongen in financiële afhankelijkheid leven.

Voor mij is het onverteerbaar dat we wegkijken bij hun achterstand.

Femke Halsema is fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer.