Paranoia in keurslijf

Valt het populisme los te zien van de democratie? En waar komt de rancune van de burger eigenlijk vandaan? Drie boeken proberen een antwoord te geven op de PVV en haar erflaters.

Henk te Velde: Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland. Bert Bakker, 319 blz. € 24,95

Maarten van Rossem: Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme. Nieuw Amsterdam, 126 blz. € 12,95

Joost Bosland: De waanzin rond Wilders. Psychologie van de polarisatie in Nederland. Balans, 126 blz. € 9,95

‘De politiek in Nederland kent geen populistische traditie’, begint Henk te Velde het laatste hoofdstuk van een boek dat heel nauwkeurig de tradities beschrijft van negen politieke instellingen en verschijnselen in Nederland. En hij vervolgt:

‘Er zijn meer populistische bewegingen geweest dan menigeen denkt, maar het ging altijd om kortstondige bewegingen of om fases in de ontwikkeling van politieke groepen. Er is geen doorgaande lijn die al die populisten met elkaar verbindt.’

Was die bewering al gelogenstraft vóór ze goed en wel in druk verscheen? Te Veldes boek ligt vandaag in de winkel. Maar vorige week al zegende Geert Wilders zijn spectaculaire stembusdoorbraak in Almere en Den Haag als de voltooiing van de ‘revolutie’ van Pim Fortuyn. Het was bij mijn weten de eerste keer dat hij expliciet (en publiekelijk) verband erkende tussen het gedachtengoed van de verdwenen LPF en zijn eigen Partij voor de Vrijheid. En we herinneren ons dat Fortuyn op zijn beurt één van z’n spraakmakende pamfletten (Aan het volk van Nederland) welbewust vernoemde naar het befaamde schotschrift dat Joan Derk van der Capellen tot den Pol in 1781 anoniem in het licht zond tegen het Oranje-conservatisme dat de zieltogende Republiek in z’n greep hield.

Kun je Capellen behalve een Patriot ook nog een populist noemen? In zekere zin wel degelijk. En Fortuyn zal misschien geen ‘doorgaande lijn’ hebben gezien, maar wel een lijntje. Dat Wilders vervolgens oppakte uit het verrassende verlangen om in een ‘eigen’ geschiedenis van meer dan twee eeuwen te staan

Los van de vraag of Nederland een populistische traditie kent, wijst Te Velde op ‘de inherente verbinding tussen populisme en democratie’, dus op het feit dat populisme een aspect is van alle democratische politiek. Vanaf het moment dat er zo’n politiek ontstaat – en dan zijn we aan het eind van de 18de eeuw – onderscheidt hij in Nederland drie afzonderlijke populistische golven. De eerste valt tussen 1780 en 1800 samen met onze Patriottentijd; de tweede behelst tussen 1870 en 1940 de emancipatiebewegingen van Abraham Kuypers ‘kleine luyden’, van de arbeiders van Domela Nieuwenhuys en Troelstra en de eerste aanhangers van het fascisme, als drie onderscheiden populistische protestbewegingen tegen het liberale establishment; en de derde golf die in de jaren negentig begon, lijkt nog lang niet afgelopen, en woelt driftig om ons heen.

Te Velde verklaart de drift. Hij schrijft: ‘Tot in de jaren tachtig dacht de Nederlandse politiek te weten hoe het zat. Je had democraten en populisten en de democraten waren goed, de populisten slecht. Democraten huldigden de rechtsstaat, zij respecteerden minderheden en verschil van mening. Populisten misleidden het volk en waren ondemocratisch in hun gebrek aan respect voor rechtsstaat en minderheden. Erger nog, ze bevonden zich op het hellende vlak dat bij de fascisten en nationaal-socialisten uit het Interbellum eindigde. Tegenwoordig liggen de zaken minder duidelijk. Het onderscheid tussen democratie en populisme is vervaagd en wat democratie is, is nu niet meer zo duidelijk. Dat populisten momenteel succesvol zijn en dat velen sterk geïnteresseerd zijn in het verschijnsel populisme, zegt veel over hoe we nu tegen democratie aankijken: de nadruk ligt meer dan voorheen op meerderheidsdenken en minder op de rechtsstaat’.

Misschien iets te generaliserend geformuleerd, alsof bijvoorbeeld na de jaren tachtig het begrip voor populisten werkelijk alom zou zijn gegroeid, en er – mede door het succes van Fortuyn en later Wilders – anders tegen de democratie wordt aangekeken dan vóór deze golf. Maar het geeft een representatief beeld van de wijze waarop Te Velde op zoek naar het precieze verloop der ontwikkelingen de geldigheid van politieke tradities telkens tegen het licht houdt. Door de breedte van aanpak en de nooit afwezige historische context is zijn boek vooralsnog de behartenswaardigste bijdrage aan de discussie over het populisme. Maar laten we eerst even uitwijken naar twee brochures die bijna ‘bewijzen’ dat niemand van het onderwerp kan afblijven.

‘Waarom is de burger boos?’, luidt de eerste zin van het vlugschrift van Maarten van Rossem, dat ook zo heet. In de tweede zin horen we meteen waarom: ‘De vraag kan eenvoudig en wetenschappelijk goed onderbouwd worden beantwoord: de burger is boos omdat hij zich zorgen maakt over de omvangrijke immigratie en de veronderstelde negatieve effecten daarvan voor de Nederlandse samenleving’.

Zelfverzekerd en met het tikkeltje achteloze arrogantie dat we van Maarten gewend zijn. Zonder bijgeleverde wetenschappelijke onder-

Vervolg op pagina 2

Paranoia en permanente kwaadheid

bouwing. Maar had hij niet moeten beginnen met de prealabele vraag óf de burger wel boos is, en of boos in dit verband wel het correcte woord mag heten? Dat slaat hij gemakshalve over – om des te sneller bij een conclusie te komen die de zorgvuldige Te Velde te eenvoudig zou hebben gevonden.

Van Rossem: ‘Een deel van de boze burgers is dermate verontwaardigd over het feit dat de traditionele partijen het immigratieprobleem jarenlang hebben laten versloffen, dat zij volgens opinieonderzoek bereid zijn te stemmen op populistische partijen die met de jaren steeds radicalere maatregelen bepleiten. Hoe wonderlijk de angsten en verdachtmakingen van de populisten ook zijn, het is onzin om te spreken van een nieuw fascisme of nazisme. De xenofobie van de boze burgers is defensief, ze vrezen voor het behoud van hun traditionele levenswijze en projecteren hun angsten vooral op de meest zichtbare immigranten’, te weten de als zodanig herkenbare moslims.

In deze alinea ontloopt Van Rossem weliswaar Te Veldes ‘verwijt’ dat hij het populisme te gemakkelijk op het hellend vlak richting Hitler, Mussolini en hun Nederlandse filiaalhouders ziet afglijden, maar overigens is hij naar Te Veldes definitie in de jaren tachtig blijven steken in het beeld van slechte, volksmisleidende, ondemocratische populisten tegenover ‘goede’ democraten.

Wie dat uitgangspunt voor lief neemt, wordt beloond met een even scherpe als boze analyse van de politieke praktijken en de intimiderende gedragingen van de enige populist die er op dit moment in Nederland toe doet, te weten Geert Wilders. Paranoia is volgens Van Rossem een wezenskenmerk van alle populisme, dus zeker van Wilders. Het is bovenal een kwestie van consequent volgehouden stijl. ‘Zonder een stijl die hen tot buitenstaanders stempelt’, schrijft ook Te Velde, ‘bestaan populisten niet werkelijk.’ De demonisering van tegenstanders (moslims,‘links’, een al dan niet denkbeeldige ‘elite’, niet-westerse criminaliteit) vergt een methodiek waarvan niet kan worden afgeweken – permanente kwaadheid is er een deel van; Wilders laat zich zelden, en liefst nooit, fotograferen terwijl hij ontspannen met een collega staat te praten. Zijn stijl werkt binnen de PVV door tot een soort standaardgedrag (en een standaardtáál niet te vergeten) die je in alle negen Kamerleden onmiddellijk als een (ken)merk moet kunnen herkennen.

Je kunt je nu al voorstellen welk hels karwei dat soort dressuur na 9 juni zal betekenen, als niet negen, maar meer dan twintig, en misschien wel bijna dertig volksvertegenwoordigers tot passende PVV-Kamerleden moeten worden afgericht. Het is natuurlijk ook geen toeval dat Wilders nu toch als z’n eigen eerste man in de Haagse gemeenteraadsfractie wil beginnen: dat vertrouwt hij zelfs een trouwe pappenheimer als Fritsma niet toe.

Daargelaten de uitgangsstelling over de boze burgers, zijn twee kanten aan het pamflet van Van Rossem soms een beetje storend. In de eerste plaats de neiging van de auteur om al schrijvend te doen alsof hij door Matthijs van Nieuwkerk weer eens in De wereld draait door is uitgenodigd om humoristisch uit de hoek te komen, en in de tweede plaats de iets te lange flashback op de carrière van Fortuyn over wie nog eens ‘bijzonderheden’ worden opgehaald die we de afgelopen acht jaar al tot vervelens toe opgedist hebben gekregen. Maar zoals gezegd: het démasqué van Wilders’ politieke bluf mag er wezen.

Dat laatste kan niet gezegd worden van De waanzin rond Wilders waaraan alle helderheid ontbreekt omdat de auteur het als psychotherapeut op zich heeft genomen niet zozeer Wilders van zijn slechte populisme, als wel de hele Nederlandse samenleving van haar ‘splijtende borderline-infectie’ te genezen – want alleen dan zal het nieuwe populisme de wind uit de zeilen worden genomen. Het is in feite immers allemaal onze eigen schuld. Joost Bosland, de therapeut in kwestie, stelt in zijn boek zoals hij schrijft ‘een psychiatrische diagnose van onze maatschappij’. De leiders van het nieuwe populisme noemt hij daarbij ‘eigenlijk irrelevant voor het begrijpen van het geanalyseerde politieke proces’, en ook de PVV-kiezers kunnen er niks aan doen: ‘zij zijn slechts spelers in een ontwikkeling in de samenleving’.

Zo blijkt hij nog altijd (of weer) uit te gaan van de gedachte dat we de maatschappij moeten zien als een levend, haast menselijk organisme – een theorie die in de vroege 19de eeuw opgang maakte in de Duitse Romantiek. En toen bestond de borderline-stoornis waarschijnlijk al wel, maar er was nog geen woord voor gevonden (het was nog niet ‘benoemd’ , zouden populisten zeggen), laat staan dat er al therapeuten waren die de aandoening uit onze ziel konden masseren. Bosland geeft ons wenken om – hand in eigen boezem – de sociale samenhang te helpen herstellen en op die manier het splijtende werk van Wilders onmogelijk te maken. En De waanzin rond Wilders zou misschien nog een (onbedoeld) komisch of satirisch geschriftje hebben kunnen opleveren, als het niet in zulk allerbelabberdst Nederlands was geschreven.

De negen politieke instituties waarvan Henk te Velde consciëntieus de traditiegeschiedenis beschrijft, zijn de regentenmentaliteit, de grondwet, de monarchie, de Tweede Kamer, de minister-president, de politieke partijen, het poldermodel, het buitenland en als laatste het populisme. De volgorde is de juiste: niet alleen qua absolute chronologie, maar ook in de onderlinge opeenvolging der onderwerpen. De regenten waren eerst, de grondwet (van 1848) maakte van de monarchie een politiek fenomeen, schiep een politiek parlement, een minister-president en na een poosje ook een partijenstelsel. Door op die manier de verschillende tradities te beschrijven en in hun ontwikkeling te volgen, komt Te Velde als het ware vanzelf een aantal terugkerende thema’s op het spoor, die iets zeggen over het telkens wisselende beeld, het aanzien en de beleving van de politiek. De tegenstelling tussen bestuurlijkheid en politiek temperament bijvoorbeeld, die in veel hoofdstukken aan de orde komt, als een signaal van veranderde omstandigheden. Of de dubbelzinnige relatie tussen de monarchie die dankzij de 19de-eeuwse mythe van de volkskoning heel dicht bij het populisme in de buurt kwam, en zowel rivaliteit als broederschap (tegen de liberale regentenelite!) kon oproepen. Of de ‘ontwaarding’ van de politieke partij, waarvan de analyse volgens Te Velde begint ‘met de erkenning dat de partij behalve een sociaal ook een religieus verschijnsel was’, en dat het de (politieke) historicus daarom geraden is de traditie bij zijn onderzoek te betrekken. Te Velde vat de verandering kernachtig samen: ‘Wie zich nu thuis wil voelen in de gevestigde politiek komt niet ver meer met nestgeur’ – waarmee meteen afscheid is genomen van de (oude) verzuiling.

Te Veldes boek is een oefening in slow writing die inviteert tot slow reading: negen maal stap voor stap vanuit telkens een ander startpunt door dezelfde fascinerende politieke geschiedenis, die voorlopig lijkt te zijn geëindigd met de begrippen Almere en Den Haag. Is daar alsnog een populistische traditie gevestigd?