Op hol als een Madrileense roulette

Al sinds zijn debuut in 1988 houdt Rafael Chirbes de snelle transformatie van zijn land tegen het licht. Het wordt er niet beter op in Spanje. Vooruitgang staat er gelijk aan de zoveelste zee van betonnen vakantieflats.

Rafael Chirbes: Crematorium. Vert. Eugenie Schoolderman. Nawoord Ger Groot. Menken, Kassander & Wigman, 472 blz. € 29,50

Begin jaren negentig werden de Spaanse letteren opgeschrikt door enkele romans van jonge schrijvers, waarvan Historias del Kronen (vertaald als ‘Madrileense roulette’) van Miguel Ángel Mañas de bekendste werd. Daarin figureert een historische scène waarin de jonge hoofdpersonen ‘s nachts hun verveling verdrijven door tegen het verkeer in over de rondweg van Madrid te racen.

Mañas en schrijvers als Ray Loriga en Lucía Etxebarría schetsten hun hedonistische leven in het Spanje van ná de Franco-dictatuur. Voor hun was de discotheek een even natuurlijk middelpunt als de kerk een halve eeuw eerder was, het lijntje cocaïne een even vanzelfsprekende consumptie als de zondagse hostie van hun grootouders. Veel meer dan om hun literaire fijnzinnigheid (die ontbrak) ontleenden zij hun belang aan het accurate maar beangstigende beeld dat zij schetsten van een deel van het democratische Spanje dat juist de belofte in zich droeg om eeuwen conservatieve overheersing goed te maken.

De schrijvers van de ‘Generatie Kronen’ zijn niet de chroniqueurs van het nieuwe Spanje geworden. Die rol wordt de laatste jaren vervuld door Rafael Chirbes (1949) die de razendsnelle transformatie van zijn land al sinds zijn debuut in 1988 tegen het licht houdt. Dat levert geen vrolijk beeld op. In Chirbes’ nu vertaalde laatste roman Crematorium (2007) is de jeugd nog even losgeslagen en illusieloos als in Madrileense roulette, maar erger is dat de oudere generaties er niet veel beter aan toe zijn.

De roman speelt zich af in de fictieve kustplaats Misent, ooit pittoresk, nu een oord waar de vooruitgang zich geconcretiseerd heeft in een zee van betonnen vakantieflats. Een van de hoofdpersonen is persoonlijk verantwoordelijk voor die lelijkheid: projectontwikkelaar Rubén Bertomeu. Hij werd opgeleid als architect, maar vond zijn bestemming dichter bij de grond: in de bouw. Hij kocht grond, bouwde voor het toerisme, kocht meer grond, bouwde meer en verdedigde zijn positie met alle mogelijkheden binnen en buiten de grenzen van de wet.

Crematorium speelt zich af na de dood van Rubens broer en tegenpool Matías, gestorven nadat hij een leven vol revolutionaire dadendrang had ingeruild voor een bestaan als boer, gespecialiseerd in biologische producten. Chirbes laat in zijn roman zeven mensen aan het woord over de dode en zijn omgeving, een structuur die hij leende van William Faulkners klassieke As I Lay Dying. Dat is niet het enige eerbetoon aan een grote voorganger, alleen al in zijn nawoord noemt de auteur ook (Joseph) Roth, Canetti, Broch, Vargas Llosa en Martin Scorsese. Die verwijzingen hangen samen met de intellectuele achtergrond van de meeste vertellers. Rubens dochter Silvia werkt als restaurator van schilderijen, haar man Juan is literair criticus en biograaf, de schrijver Federico Brouard is een jeugdvriend van de broers Bertomeu. Tegenover dat trio doen drie minder ontwikkelde personages hun verhaal: Rubens tweede vrouw Mónica, zijn hulpje Ramón en een Russische huurling in een vakantiehuisje. Hun leven wordt niet gedomineerd door reflectie, maar door de daad. Vaak gaat het om de geslachtsdaad, soms om geweld en altijd is macht de hoofdzaak.

Het wisselende perspectief maakt dat Crematorium een roman is waarin uiteenzettingen over hoe een vrouw haar tong in het plasgaatje van een man stopt, worden afgewisseld met beelden als: ‘Het woord dode was op de lijn blijven hangen als een lijk in een greppel, iets onbetamelijks, wat daar niet zou mogen zijn, in het zicht van iedereen, en wat iemand daar had moeten weghalen.’ Of met de plaatsing van een generatie in historisch perspectief, die van de Matías en Rubén: ‘Mij heeft de oorlog slechts geschampt, is rakelings aan me voorbijgegaan.’ Even plotseling geldt een breedbeeldtelevisie fel als ‘een ectoplasma van het absolute kwaad’.

De door Eugenie Schoolderman knap vertaalde wisselingen van register maken dat Crematorium geen lichte kost is, maar de beloning mag er wezen. Gaandeweg verdiept het portret van de hoofdpersonen zich, en daarmee het portret van het moderne Spanje. Wat je meteen ziet is Chirbes’ afkeer van beton en oppervlakkigheid, de wereld van plastische chirurgie waarin Rubén zich wentelt met zijn tweede echtgenote. Daar is sprake van een land dat niet meer denken wil, waarover Ger Groot in zijn nawoord een interviewcitaat van Chirbes geeft: ‘Een volk dat denkt is hoogst gevaarlijk. Maar een volk dat ophoudt met denken is onverdraaglijk.’

Die observatie zou kunnen fungeren als motto van Crematorium, maar vooral in het portret van de enige niet-sprekende hoofdpersoon – de dode Matías – zitten andere, fascinerende elementen. Hij is een klassieke linkse intellectueel, een leven lang in de weer met verheffing van anderen, in de zekerheid van zijn eigen superioriteit in morele zin, zeker ten opzichte van zijn rijke zakenbroer. Dat hij bij het naderen van zijn einde kiest voor het boerenbestaan lijkt in eerste instantie een kwestie van morele properheid (‘onszelf kunnen we toch niet meer redden, laten we daarom de aarde maar redden’), maar die morele geruststelling gunt Chirbes ons niet. Matías’ keuze voor het boerenbestaan maakt hem immers tot iemand die idealisme, zijn verlangen naar verandering, verplaatst naar het kleinste en meest aardse niveau: een stukje grond. Daarmee legt hij in feite dezelfde weg af als zijn gesmade broer, die de architectuur verliet voor de bouw. En Matías weet dat zijn boerderijtje zijn dood niet zal overleven: de grond is overgeleverd aan de vrije markt en zal de weg gaan van alle percelen in de buurt: een bestaan in beton.

Dat maakt, zo constateert zijn broer Rubén vilein maar terecht, het engagement van Matías tot een daad die in de kern niet ethisch is, maar esthetisch: het gaat niet om het morele resultaat, maar om hoe deze oogt. Dergelijke scherpe randjes maken Crematorium tot een roman die de gebruikelijke tegenstelling tussen denkers en doeners, realisten en idealisten, rechtschapenen en opportunisten ver overstijgt. En die een zwartgalliger beeld van Spanje schetst dan horden snuivende jongeren ooit kunnen doen.