Ook de duurste ploeg moet nog wel winnen

Real Madrid gaf honderden miljoenen euro’s uit om het ‘winnende elftal’ te smeden.

Maar de voetbalclub behoort ook dit seizoen niet tot de beste acht van Europa.

‘Catástrofe’, luidde de kop in de Spaanse sportkrant AS gisterochtend. ‘Adíos Champions, adíos Pellegrini’, concludeerde concurrent Marca na de uitschakeling van Real Madrid in het belangrijkste Europese bekertoernooi tegen Olympique Lyon. Op de ochtend na het zoveelste echec in de Champions League wordt bij ‘de Koninklijke’ gezocht naar een schuldige. Gaan de duurbetaalde wereldtoppers op beslissende momenten te veel voor eigen succes? Is de Chileense trainer Manuel Pellegrini niet capabel genoeg om van de miljoenenaankopen een winnend elftal te smeden? Of is de filosofie van voorzitter Florentino Pérez om met honderden miljoenen euro’s opnieuw een winnend elftal bij elkaar te willen kopen een verkeerde geweest?

Het antwoord op die vraag is onverwachts snel aan de orde. Real Madrid kwam de voorbije vijf seizoenen ook niet voorbij de achtste finales van de Champions League, maar dacht na de terugkeer van Pérez aan het begin te staan van een nieuw gouden tijdperk. De rijke zakenman haalde in zijn eerste periode tussen 2000 en 2006 sterspelers als Luis Figo, Zinedine Zidane, Ronaldo, David Beckham en Michael Owen naar Madrid. De Galácticos wonnen de Champions League (2002) en twee landstitels (2001 en 2003).

Pérez keerde vorig seizoen met een nog grotere scoringsdrift terug als voorzitter van Real. In de jacht op concurrent FC Barcelona, dat vorig seizoen alle denkbare prijzen won, ging de club heel ver. Op rigoureuze wijze werd een einde gemaakt aan het tijdperk van voormalig voorzitter Rámon Calderón. Onder diens leiding kleurde Real Madrid met Ruud van Nistelrooy, Royston Drenthe, Wesley Sneijder, Arjen Robben, Rafael van der Vaart en Klaas Jan Huntelaar langzaam oranje. De ‘Hollandse kolonie’ diende grotendeels plaats te maken voor nieuwe vedettes.

Real Madrid haalde voor recordbedragen Kaká van AC Milan (65 miljoen euro), Cristiano Ronaldo van Manchester United (94 miljoen), Karim Benzema van Olympique Lyon (35 miljoen), Xabi Alonso en Alvaro Arbeloa van Liverpool (35 en 4 miljoen) en Raúl Albiol van Valencia (15 miljoen). Het doel van de geld verslindende operatie was duidelijk: op 22 mei van dit jaar zou in het eigen Estadio Santiago Bernabéu Barcelona onttroond worden als winnaar van de Champions League. Het zou de tiende keer zijn dat Real Madrid zich kampioen van Europa zou mogen noemen.

Real begon moeizaam aan het seizoen en zette zichzelf te kijk door in het Spaanse bekertoernooi uitgeschakeld te worden door het nietige Alcorcón. In de competitie verloor de ploeg het prestigeduel met FC Barcelona (1-0), maar in de loop van het seizoen werd de achterstand op de Catalaanse aartsrivaal goed gemaakt. In de Champions League bereikte Real Madrid in een groep met AC Milan, Olympique Marseille en FC Zürich de achtste finales. Daarin wachtte angstgegner Olympique Lyon.

Real Madrid had in verleden in vier eerdere onderlinge wedstrijden nooit van de Franse formatie weten te winnen. En ook in de heenwedstrijd drie weken geleden was het resultaat voor Real Madrid negatief. Maar het vertrouwen dat de 1-0 nederlaag in Madrid teniet zou kunnen worden gedaan, was groot.

Trainer Pellegrini stelde vooraf zelfs een zekere overwinning in het vooruitzicht. Bij de opkomst van de beide elftallen toonde de aanhang van Real Madrid een groot doek waarop de fontein La Cibeles te zien was met de tekst: ‘Wij zullen terugkeren’. De laatste keer dat Real Madrid een titel bij Plaza de la Cibeles vierde, was in 2008 na het veroveren van het landskampioenschap.

Real Madrid begon voor tachtigduizend fans zeer voortvarend aan het duel met Lyon. Al na zestien seconden kreeg Kaká de eerste kans. Zes minuten later brak Ronaldo met een schot vanaf links de score open. Real speelde Lyon daarna bij vlagen van het veld. Vooral de zelfzuchtige Argentijnse spits Gonzalo Higuaín kreeg voor rust grote mogelijkheden, maar faalde steeds.

In de tweede helft was het wachten op de gelijkmaker van Lyon. Het Bosnische talent Miralem Pjanic (19) zorgde een kwartier voor tijd met zijn doelpunt voor een doodse stilte in Madrid. De Champions League bleek dit jaar niet te koop voor Pérez.