Ook Bos heeft genoeg van deze hondebaan

Meestal schuifelt het bioscooppubliek na afloop van een film stilletjes weg als de aftiteling begint. Maar een enkele keer kan iemand de behoefte om te klappen niet onderdrukken. Soms volgen er dan meer. En voor je het weet golft er een stormachtig applaus door de zaal.

Het gebeurde dit weekeinde bij een gewone voorstelling – geen première, geen acteurs of regisseur in de zaal – in het Amsterdamse Tuschinski-theater. Het publiek was duidelijk geëmotioneerd. En dat voor een film over politiek.

Nu ging het niet over de gemeenteraadsverkiezingen, de hoogte van de AOW-leeftijd of de val van het kabinet. Invictus, van Clint Eastwood, gaat over Nelson Mandela, en dat scheelt. De film vertelt hoe Mandela, als eerste zwarte president van Zuid-Afrika, zijn nek uitsteekt om zijn verdeelde land eensgezind te laten juichen voor de Springboks, het rugbyteam dat een bijna exclusief blanke aangelegenheid was en voor veel zwarten een symbool van het apartheidsbewind dat nu juist afgeschaft was.

Mandela, onvergetelijk gespeeld door Morgan Freeman, heeft na 27 jaar gevangenschap net de verkiezingen gewonnen. Blanke Zuid-Afrikanen vragen zich angstig af of ze vergelding moeten vrezen en of het land nu naar de knoppen zal gaan. Een sceptische krant kopt op de voorpagina: hij heeft laten zien dat hij kan winnen, maar kan hij ook regeren? Een redelijke vraag, oordeelt Mandela nuchter.

Regeren doet hij door zélf te blijven denken en op een cruciaal moment het advies van zijn medewerkers te negeren. Koppig blijft hij aansturen op verzoening, ook al kan hij zelfs zijn eigen achterban niet overtuigen. Hij is zeker van zichzelf en hij zet door. Wat kan politiek op die manier mooi en zelfs ontroerend zijn, laat dat maar aan Hollywood over.

Maar houden van een held als Mandela is niet moeilijk. Over onze eigen politici klagen we liever. Hadden we hier maar een Mandela, klinkt dan de gratuite verzuchting. Of een Obama, al is diens mythische aanzien ook aan deze kant van de oceaan alweer snel aan het verbleken.

Als we hier in de polder, in heel Europa, met tweede garnituur zitten opgescheept, zou dat misschien ook iets te maken kunnen hebben met de kiezers? Met hun wispelturigheid, hun veeleisendheid, hun geringe geduld en hun vaak overspannen verwachtingen van wat haalbaar is? Wie waagt zich nog in de politieke arena? Wie houdt het vol?

Als Agnes Kant het niet meer trekt, of Camiel Eurlings kiest voor een privéleven, dan schrikt iedereen even. Als Wouter Bos na een verloren verkiezing en een fatale botsing met zijn coalitiepartners de actieve politiek verlaat, dan schrikken we echt.

Wat krijgen we nou, keren ze ons de rug toe? Willen ze geen rol meer spelen op het toneel dat ons favoriete mikpunt van hoon en kritiek is? Geven ze hun heerlijke bestaan in het centrum van de macht en de publieke aandacht werkelijk zomaar op?

Een politicus moet tegen een stootje kunnen. Kritiek kunnen incasseren hoort bij het vak. En wie ontdekt dat hij niet geschikt is voor dat vak, doet er goed aan zijn conclusies te trekken.

Maar het kan geen kwaad meer te beseffen dat politicus zijn in deze tijd een hondebaan is, zoals de Belgische socioloog Luc Huyse het een paar jaar geleden in deze krant uitdrukte. De politiek draait steeds minder om argumenten, alles gaat om de perceptie, om hoe het overkomt, aldus Huyse. En de kiezer stelt zich niet meer op als een burger, die zelf ook een verantwoordelijkheid heeft voor het algemeen belang. Hij is steeds meer de eisende partij geworden, die zich verongelijkt tegenover de politiek opstelt wanneer die niet snel genoeg levert.

Als ze dood zijn kunnen we politici opeens vreselijk gaan missen. Hans van Mierlo was bij zijn leven al populair, maar de kiezers die hem en zijn partij de ene keer steunden, lieten die de volgende keer weer net zo makkelijk in de steek. En nu wordt hij weer alom geprezen.

Vandaag treurt zelfs geenstijl.nl, de website met het motto ‘Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’, om de oprichter van D66. Hij was „een van de meest gewaardeerde politici, gewoon omdat ie normaal deed”. „Had ie in een Hollywoodfilm gespeeld, dan hadden ze hem The Dude genoemd”. Meer respect kan een politicus nauwelijks ten deel vallen uit deze hoek.

Van Mierlo heeft het in de politiek jarenlang volgehouden. Als geen ander dankte hij in de jaren zestig zijn opkomst aan beeldvorming. Maar hij had, en hield, een passie voor inhoudelijke argumenten. En hij bleef al die tijd de indruk wekken dat hij veel plezier beleefde aan dat vaak vervloekte politieke bedrijf met al zijn tekortkomingen.

Dat plezier was aanstekelijk, en goed voor de politiek. Of de opvolgers van Bos, Kant en Eurlings nieuwe Van Mierlo’s of Mandela’s zijn, zal moeten blijken. Maar iets van hun onafhankelijkheid van geest zou hen goed van pas komen als ze de boze burger willen terugwinnen voor de politiek.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel