Langzaam vooruit blijven modderen

Econoom, filosoof en Nobel- prijswinnaar Amartya Sen onderzoekt in zijn nieuwe boek het begrip gerechtigheid. Is het een probleem dat absolute rechtvaardigheid niet bestaat?

Amartya Sen: The Idea of Justice. Allen Lane, 468 blz. € 38,25

Drie kinderen maken ruzie om een fluit. Anna zegt dat zij de enige is die daarop kan spelen en dat de fluit daarom haar toekomt. Bob zegt dat hij zo arm is dat de fluit zijn enige speelgoed zou zijn: de anderen hebben meer dan genoeg. En Carla zegt dat het instrument háár eigendom is omdat het nu eenmaal met veel vlijt en geduld door haar is gemaakt.

Met dit voorbeeld begint de Indiase econoom en filosoof Amartya Sen zijn boek The Idea of Justice. Wat is in dit geval ‘gerechtigheid’? vraagt hij zich af. Welke criteria hebben we daarvoor en kunnen we in die kinderruzie wel een onomstreden oordeel vellen?

The Idea of Justice is in veel opzichten de kroon op het werk van Sen, die zichzelf in dit boek beschrijft als een econoom van professie met een diepgaande liefdesaffaire met de wijsbegeerte. Hij werd in 1933 in Bengalen geboren, studeerde economie en bezette een indrukwekkend aantal leerstoelen, van Delhi via Oxford en Harvard tot Cambridge. In 1998 ontving hij de Nobelprijs voor economie, ook omdat hij zocht naar de filosofische en ethische wortels van dat vak.

Wat gaandeweg een louter formele wetenschap geworden was, werd zo opnieuw een discipline waarin het over echte mensen ging. Wat beoogt de economie eigenlijk, vroeg Sen zich af. Niet de vergroting van welvaart of rijkdom op zichzelf, want dat zijn alleen maar middelen om een beter bestaan mogelijk te maken. Wat is dan een rechtvaardig bestaan? Die vraag staat centraal in zijn laatste boek, en ze valt – zo schrijft Sen aan het einde ervan – samen met de vraag wat het betekent een mens te zijn.

Dat ligt in ieder geval niet in het streven zoveel mogelijk rijkdom te vergaren, maakt Sen tegenover de theoretici van de economie duidelijk. Welvaart en bezit staan in dienst van de menselijke ontplooiing. Niet het vermogen, maar de vermogens (‘capabilities’) zouden het criterium moeten zijn van economische vooruitgang. Wat telt is uiteindelijk de vraag in welke mate mensen politiek, sociaal, cultureel en materieel in staat zijn datgene in zich te ontwikkelen wat zij zelf wensen te ontwikkelen.

In The Idea of Justice rekent Sen af met een hele reeks economische heilige huisjes. Nee, mensen zijn geen zelfzuchtige individuen die alleen maar uit zijn op het eigen gewin – maar ook Adam Smith dacht dat al niet. Die overtuiging heeft in de loop van de tijd wortel geschoten in het economische denken, dat daarmee alleen maar steeds wereldvreemder is geworden. En nee, ook Smith dacht al niet dat het in de economie alleen om rijkdom zou gaan, alsof geld het enige criterium zou zijn van een vervuld menselijk leven.

Maar ook met filosofen gaat Sen in dit boek in debat. Al in de titel maakt hij duidelijk dat hij zijn pijlen gericht heeft op de baanbrekende studie A Theory of Justice van John Rawls uit 1971. Rechtvaardigheid moet, zo betoogde Rawls, beschouwd worden als een vorm van fairness, of ‘billijkheid’, zoals de enkele jaren geleden verschenen Nederlandse vertaling van het werk wil. Billijk is een samenleving, aldus Rawls, wanneer iedereen gelijke kansen heeft en als de ongelijkheid die uit die vrijheid voortvloeit ten gunste komt van de minst begunstigden.

Maar dergelijke theorieën gaan mank aan twee misverstanden, antwoordt Sen. Ze gaan er ten eerste van uit dat rechtvaardigheid kan worden teruggebracht tot één eenduidig criterium. Zoals het voorbeeld van de drie ruziënde kinderen laat zien, is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Het lukt niet de argumenten terug te brengen tot één criterium waarin de een tegen de ander kan worden weggestreept. Eerder loop je de kans onder de noemer van rechtvaardigheid nieuwe onrechtvaardigheden te scheppen.

En ten tweede veronderstellen theorieën als die van Rawls dat er – zegt Sen – zoiets als een ideale situatie denkbaar is, waarin elk onrecht zou zijn uitgebannen. Alleen zo’n ideaal zou ons dan de maatstaf kunnen geven om in de onvolmaakte toestand waarin we nu verkeren eenduidige keuzes te kunnen maken.

Beide misverstanden hangen volgens Sen met elkaar samen, maar ze blíjven misvattingen. Want ook al is een dergelijk ideaal niet eens goed denkbaar, we kunnen in een praktische situatie wel degelijk een beter alternatief van een slechter onderscheiden. Volstrekte zekerheid en voor iedereen doorslaggevende argumenten kunnen we daarvoor misschien níet aanvoeren, maar dat maakt een redelijke discussie nog niet onmogelijk.

De vrijheid die ook Sen eerst als maatstaf voor de vervulling van ieders persoonlijke leven had aangelegd, komt daarmee op politiek vlak weer terug. Want alleen in een open, democratische en vrije samenleving is een debat denkbaar waarin dergelijke overwegingen op rationele wijze tegenover elkaar in het strijdperk kunnen treden.

Professioneel

Dat klinkt allemaal heel verstandig en je kunt je afvragen waarom er zo’n dik boek voor nodig is. Waarom moest Sen zich zo vaak verliezen in detail-discussies met auteurs die hij niet alleen professioneel, maar ook op persoonlijk vlak goed lijkt te kennen – zodat The Idea of Justice soms een omgekeerd liber amicorum lijkt?

Daar staat veel tegenover. Sen doorspekt zijn uiteenzetting met concrete voorbeelden uit de wereldeconomie en -politiek, waarin de relevantie van de soms nogal ijle gedachtengangen duidelijker wordt. En hij beperkt zich, wat zijn inspiratiebronnen betreft, niet tot de westerse wereld, maar gaat ook te rade bij de Indiase cultuur, van Boeddha tot Bhagavad Gita, vindt hij aanknopingspunten die niet alleen bewijzen dat ook zij een hoogontwikkelde filosofie kende, maar dat deze ook heel veel raakvlakken heeft met wat er in het Westen is gedacht.

Toch blijft het verbazen dat Sen zoveel omhaal nodig heeft. Dat mensen niet alleen op hun eigenbelang uit zijn, zoals de meeste economische theorieën nog altijd veronderstellen, kan iedereen zien die de moeite neemt onbevangen om zich heen te kijken. En dat het leven niet tot één criterium valt terug te brengen, komt evenmin als een grote verrassing.

In economische en filosofische theorieën wordt de vervulling van het leven echter wel vaak met één maatstaf gemeten. Dat heeft niet alleen met het academisch vakidiotisme van hun beoefenaren te maken. Want hoe goed de common sense ook weet om te gaan met de ongewisheden van het dagelijks leven, zodra we erover gaan nadenken, gaan we onvermoeibaar op zoek naar coherentie en eenduidigheid. De rationaliteit houdt niet van compromissen, die onwillekeurig de indruk wekken dat we nog niet ver genoeg hebben doorgedacht. We willen zekerheid en wanneer de werkelijkheid daarvoor te ingewikkeld of te veelduidig blijkt te zijn, ervaren we dat als een intellectuele nederlaag.

Dat betekent volgens Sen uitdrukkelijk niet dat we daarom de rationaliteit maar moeten laten varen. Elk debat moet gevoerd worden met de rede als scheidsrechter, maar daarmee zijn onweerlegbare, evidente conclusies nog niet gegarandeerd. Integendeel: al naar gelang de situatie kan het antwoord op de vraag ‘wat is rechtvaardig?’ anders uitvallen. Welk criterium leggen we aan bij het beslechten van de ruzie tussen Anna, Bob en Carla?

Dat is niet alleen een probleem dat individuen aangaat. Het speelt ook tussen bevolkingsgroepen die meer of minder geprivilegieerd kunnen zijn, en zelfs tussen hele sectoren van de wereldbevolking. Of, groter en praktijkgerichter gedacht: hoe geldig is het argument dat ontwikkelingshulp een vorm van diefstal is van het geld dat wij tenslotte hebben verdiend? Hoe rechtvaardig is outsourcing van arbeid naar landen waar een hongerloontje wordt betaald, terwijl die werknemers er in hun arbeidscontract formeel wel mee hebben ingestemd?

In het werk van Amartya Sen is het vraagstuk van de wereldwijde gerechtigheid nooit ver weg. Dat heeft niet alleen een economische dimensie. Ook de politiek en zelfs de ethiek heeft zich van die mondiale verbondenheid iets aan te trekken. Niet alleen omdat de steeds nauwer wordende verbindingen tussen alle delen van de wereld ons daartoe dwingen. Maar ook omdat het vrije debat steeds mondialer wordt.

Geen staat kan het zich nog veroorloven doof te zijn voor geluiden die klinken van over de grens. Hij zou er zich niet alleen gevaarlijk mee isoleren, maar – zo merkt Sen op – zichzelf ook nog eens beroven van inzichten die ook voor hem van belang kunnen zijn. Wat in het ene land principieel onmogelijk lijkt (Sen wijst op een nationale ziekteverzekering waartegen een flink deel van de Amerikaanse bevolking zich zo verzet), kan in een ander land heel goed praktisch uitvoerbaar blijken – en is ook voor dat eerste land misschien wel een goed idee.

Ideaal

Zo heeft niet alleen de vraag wat gerechtigheid is een mondiale dimensie, maar ook de verwerkelijking daarvan. Stap voor stap kan de wereld een keuze maken voor het ‘betere’, zonder dat ze ook hier eerst hoeft te weten wat het absolute ideaal zou zijn en hoe (ja zelfs óf) dat ooit bereikt zou kunnen worden, zo bezweert Sen.

Een democratische bestuursvorm, hoe onvolmaakt ook, is voor die langzame verbetering een voorwaarde, benadrukt Sen. Hij keert zich daarmee tegen het model van landen als China of Singapore, die economische groei combineren met een beperkte politieke vrijheid. Volgens het klassieke liberalisme kan dat helemaal niet, omdat het een het ander veronderstelt, en daarin geeft Sen zijn liberale voorgangers gelijk. De successen die deze economieën in de laatste jaren hebben geboekt, verhullen vaak de politieke en maatschappelijke spanningen die daardoor in het leven worden geroepen en die vragen om grotere vrijheid en politieke transparantie. Dat de gewone bevolking bij een democratie altijd beter af is, blijkt uit het feit dat grote hongersnoden volgens Sen alleen voorkomen in autoritair geregeerde landen.

Op dat laatste valt wel wat af te dingen. Maar dat tast de wijsheid niet aan van Sens vaststelling dat we niet leven in een wereld van alles- of-niets, zoals in veel politieke theorieën wordt verondersteld. De strijd voor een grotere mondiale rechtvaardigheid speelt zich niet af op het vlak van goed en kwaad, maar op dat van het slechtere en het betere. Alles is betrekkelijk en genuanceerd – maar in die wereld van grijstinten moeten we, als denkende wezens, zo ver zien te komen als redelijkerwijze mogelijk is. Alleen dan kan de idee ‘rechtvaardigheid’, aldus Sen, ooit werkelijke rechtvaardigheid worden.