Laat me toch de perken te buiten gaan

Micha Hamel: Nu je het vraagt. Augustus, 72 blz. € 19,-.

Wie nog dacht dat poëzie een traag, zwaar op de hand en moeilijk genre was, moet eens een bundel van Micha Hamel opslaan. Hij schrijft over vingerverven, sms’en, jongensdromen of keukenmachines, en dat alles met een aanstekelijke humor en tempo.

Hamels derde bundel, Nu je het vraagt, stuitert voort van gedicht naar gedicht, van gedachte naar gedachte. Soms heeft de dichter zo’n haast dat hij zich zelfs geen witregels meer kan permitteren, en kladt hij de hele pagina zo vol als maar kan. Ademloos en met weinig interpunctie brengt deze ‘ik’ zijn omgeving en zijn leven in kaart. Gaandeweg begrijpen we dat hier iemand de knieval voor het vaderschap en bijbehorend bestaan (buitenwijk, schoonfamilie, een ‘bepaald model gezinsauto’) heeft gemaakt.

Geregeld blijkt dat die identiteit knelt, zoals in het meesterlijke gedicht ‘Aan het ontbijt’, over het opvoeden van kinderen ‘Gestaag, maar eerlijk gezegd nauwelijks wennen we aan/ elkaars muziek, elkaars precieze humor en aan de persistente herrie’.

De beklemming van de gewoonte wordt vervolgens bestreden met herinneringen aan de kindertijd, toen de dingen nog magisch, onvoorspelbaar en betekenisloos waren. Dat is natuurlijk een wat uitgemolken motief, maar Hamel weet er nieuw leven in te blazen. Door zelfvertedering achterwege te laten en door zijn woorden met een enorme precisie te kiezen.

Woordkeus

De herkenbaarheid komt hier niet zozeer voort uit de ervaring, maar vooral uit de woordkeus. Neem de scène waar een jongen boefje en politie speelt met zijn grote broer, die hem dus in de trapkast opsluit: ‘en ik, ik zat in mijn gestreepte t-shirt op mijn caviastrooien brits de vochtvlekken te volgen tot ik mijn moeder mijn broer hoorde uitfoeteren. Mijn straf zat er steevast op als die van hem begon’.

Nu is die bezongen jeugd echter voorbij, en daar zit je dan, met je ‘3fte’ kinderen en een dure keukenmachine waar je de onderdelen van kwijt bent. De wegen worden smaller en het leven is niet veel meer gebleken dan macaroni met ham en kaas en een baan bij personeelszaken.

Alleen een kunstenaar kan zich nog koesteren in de gedachte dat hij iets van betekenis teweeg kan brengen – de laatste hoop van de ‘ik’ in zijn rijtjeshuis is zijn dichterlijke opdracht, maar ook daar is weinig van over. In ‘De brulkikker zwijgt’ probeert Hamel nog maar eens uit of kunst de wereld kan veranderen. Hij meet zich weer de rol van ‘ziener’ aan, orakelt nog wat, over het milieu bijvoorbeeld, als ‘een oermondige durfal die toetert mensen staakt uw fuiven de ontknoping naakt/ helaas’. Daar komt geen antwoord op, zodat de dichter weinig heil meer ziet in zijn vak, en ‘moe is van het doen, van het snoeven, moe van het maken en van het moe maken van zichzelf’.

Hij is de hele rimram beu en wil zich inschrijven als werkzoekende: ‘rendier, kiezer, vader, letterknecht, mensenzoon’. Alles, maar geen dichter. In de meligheid van zulke stemmingen ontstaan ook flauwe versjes, zodat niet alles in de bundel even boeiend is. De experimentele grappen met het alfabet of met typografie bijvoorbeeld – dat heeft K. Schippers eerder beter gedaan, om nog maar te zwijgen over de door Hamel bewonderde Apollinaire. Maar daarvan zal de dichter zich in zijn grenzeloos enthousiasme voor taal niets van aantrekken; hij doet gewoon wat hij leuk vindt.

Gesnob

We zien hier een spelend kind bezig, een vrije geest die zich weinig aan poëtische conventies gelegen laat liggen. Een rapgedicht over koning David dat citeert uit de Bijbel, wordt meteen vergezeld door de brontekst: hier geen gesnob met citaten of valse veronderstellingen over de belezenheid van het publiek.

Pas als hij de perken te buiten kan gaan, begint Hamel het leuk te vinden. De dichter (ook dirigent en componist) maakt ritmische series van zijn woorden en zinnen, die je moet voordragen om ze op waarde te kunnen schatten. Ook mooi voor een uitvoering zijn de tweestemmige gedichten, waarbij een echo of een tegenstem door de tekst heen klinkt.

Maar Hamels muzikale oor blijkt toch vooral uit zijn taalgebruik; hij verlustigt zich aan de klank van woorden, maar ook aan slang, platitudes, anglicismen. Vrijwel ieder gedicht lijkt een ready-made, waar alledaagse taal in wordt opgenomen als was het zo op straat gevonden, maar zo is het natuurlijk niet: ‘Zzoem doet onze computer, piedeliedeliedelie mijn/ telefoon, en roef doen de spoelen van de schikgodinnen ergens ver buiten zicht’.

Dit is, ook voor de lezers die zich hadden afgewend van de poëzie, een dichter om te volgen. Als je hem bij kunt houden.