In 1937 is er niks herteld

Heeft mijn vader bij de Kamerverkiezingen van 1937 zijn 77-jarige schoonmoeder naar het stemlokaal begeleid, en is hij haar, omdat ze kort tevoren door een attaqueje enigszins in de war was geraakt, tot in het stemhokje gevolgd om haar te helpen zoeken naar de partij van haar keuze?

Ik ben er niet bij geweest. Maar vast staat dat er nog jaren bij ons thuis over is gesproken, en dat mijn vader er dan altijd een geheimzinnig lachje bij trok, zonder openheid van zaken te geven, terwijl mijn moeder er steeds met een zekere kribbigheid op heeft gereageerd.

Dat laatste heeft m’n twijfels over de waarschijnlijkheid van de gebeurtenis deels weggenomen. Mijn vader was een gezagsgetrouw mens – pas tijdens de bezetting begon hij illegale kranten te lezen ofschoon die verboden waren. In 1937 was er nog geen enkele reden tot burgerlijke ongehoorzaamheid: nergens een mof te bekennen, en de eigen wetten (aangenomen door het parlement en gecontrasigneerd door Wilhelmina) waren hem heilig.

Maar de vraag was natuurlijk wat mijn grootmoeder als ‘de partij van haar keuze’ beschouwde.

Zij was de moeder van mijn moeder, en daar begon het eigenlijk mee. In tegenstelling tot mijn vader die als eerlijke liberaal niet op de benauwde Liberale Staatspartij stemde (waaruit de VVD is voortgekomen), maar op de Vrijzinnig Democraten van Oud, zou mijn moeder weleens politiek naar Colijn hebben geflirt. Zeker was ook dat niet helemaal. Als er door iemand naar gevraagd werd, zei ze altijd met een zekere vastberadenheid in haar stem (waaraan je haar Friese afkomst herkende): „Stemmen is geheim.” Maar ze was zonder enige twijfel gevoelig voor het ga-nu-rustig-slapentimbre waarmee Colijn het gewone volk voorloog.

Als kind ruik je het als je vader en moeder aan onenigheid of zelfs ruzie toe zijn – en omdat ik die geur thuis altijd in m’n neus kreeg als er over een paar weken gestemd moest worden, heb ik heel lang gedacht dat de mensen dát bedoelden als ze het over verkiezingskoorts hadden. En in die koorts kan mijn vader – die als vrijzinnig protestant de fundamentalistische Colijn verafschuwde – gevreesd hebben dat zijn schoonmoeder door haar dochter ingefluisterd had gekregen dat ze de numero 1 van lijst 3 rood moest maken, omdat de anti-revolutionairen de partij van haar keuze moesten worden.

En mag je dan mijn vader, puntgave democraat die hij was, kwalijk nemen dat hij over het oude mens heengebogen – dus strikt genomen nog half buiten het hokje – haar hand naar lijst 17 heeft geleid, om haar bij Oud te laten uitkomen?

In rooms-katholieke rusthuizen is het later heel gewoon geworden dat de oudjes op de ochtend van de verkiezingen bij de uitgang werden verzameld in afwachting van de autobus waarin ze naar het stemlokaal werden gereden. „En jullie weten het, hè?”, riepen de pastoor en de moeder van het tehuis, en of ze nou ziek waren, al bijna overleden of in een rolstoel zaten – ze wisten ’t. Pro memorie hadden bejaardenverzorgsters de boodschap met inkt nog op hun onderarm geschreven: KVP!

Een beetje knoeien heeft er altijd bij gehoord. Kijk naar Rotterdam, waar Ronald Buijt (eng lid van de Leefbaren, zag ik meteen toen hij bij Pauw en Witteman het woord voerde) met machtigingslijsten heeft lopen sjacheren – en dan uiteindelijk toch nog zeshonderd stemmen tekortkomen!

Mijn vader heeft de uitslagen van 1937 hoogstens met één stem verschoven. Ik ben zoals gezegd geen getuige geweest van zijn inmenging, maar toen ik de beelden zag van de Rotterdamse lokalen met hokken vol stemmers, heb ik met warmte teruggedacht aan zijn eenzame heldendaad.

Is er eigenlijk principieel verschil tussen roomse bejaarden, analfabete allochtonen en een grootmoeder die in de war is geraakt?

Jan blokker