'Ik ben gevormd door de DDR'

Vergankelijkheid. Het komen en gaan van mensen. Een thuis vinden maar er niet kunnen blijven. Daarover gaan de even harde als poëtische boeken van Jenny Erpenbeck. ‘Wie links was, die moest weg.’

Jenny Erpenbeck: Huishouden (Heimsuchung). Vert. Elly Schippers en Gerrit Bussink. Van Gennep, 173 blz. € 19,90.

Heimat. Het is een oer-Duits woord en haast onvertaalbaar. ‘Thuis’ komt er bij in de buurt, net als ‘vaderland’, alleen is Heimat meer. „Heimat’’, zegt Jenny Erpenbeck, „heeft met je kinderjaren te maken, met een tijd waarin je ouders je een gevoel van veiligheid gaven en de zekerheid dat de plek waarvan je hield er altijd voor jou zou zijn.’’

Jenny Erpenbeck is een Duitse schrijfster. En ‘Heimat’ speelt in haar pas vertaalde roman Huishouden (Duits: Heimsuchung) een prominente rol. De twaalf personages beschouwen een huis aan een meer als hun ‘Heimat’ – maar van de bestendigheid waar zij zo naar verlangen kan geen sprake zijn. De breuken in de Duitse geschiedenis breken ook hun levens. Het ene systeem na het andere dient zich aan, gewelddadig, schoksgewijs. De Republiek van Weimar, het Derde Rijk, de DDR en het herenigde Duitsland: de bewoners van dat knusse huis aan dat rustige Oost-Duitse meer kunnen zich niet aan hun tijd onttrekken.

Zo’n schok heeft Erpenbeck (1967) ook zelf meegemaakt. Haar wijk in Berlijn hoorde in de eerste helft van haar leven bij de DDR en in de tweede helft bij de Duitse Bondsrepubliek, een verandering die haar een fundamenteel gevoel van ontheemding gaf. En het huis aan het meer werd afgebroken. ,,Naar dat huis’’, zegt de schrijfster in Amsterdam, waar zij een lezing houdt, „ging ik altijd in de schoolvakanties. Ik heb er zo heerlijk gespeeld dat ik lang heb gedacht: daar hoor ik thuis en niet in de stad.’’ Het huis met grond was van haar grootouders, die ook in de roman zijn beland. „Voor mij is het een voorbeeld van vergankelijkheid en het komen en gaan van mensen. Al die mensen zoeken schoonheid, ontspanning en vrede. Al die mensen willen blijven in dat paradijselijke oord. Maar op een dag moeten ze allemaal weg.’’

Nazi-tijd

Aan elk van hen wijdde de auteur een hoofdstuk. En elk van hen heeft een ander idee van Heimat. Neem nu het personage de architect. ,,Hij leefde in de nazi-tijd, waarin de Heimat-architectuur werd gepropageerd om het Heimat- gevoel van de Duitsers te versterken. En dat huis in mijn boek voldoet aan alle völkische eisen, het heeft een tegelkachel, een strooien dak, het is idyllisch en niet erg modern. Die architect denkt echt dat je Heimat kunt bouwen. Dat je een huis bouwt en dat is dan je Heimat. Maar hij vergat de kracht van zijn tijd.’’ Ze lacht een hoog lachje. En vertelt over twee emigranten in het boek, naar haar grootouders gemodelleerd.

,,Zij moesten Duitsland ontvluchten omdat zij tegen het fascisme waren. Met een gebroken opvatting van Heimat kwamen zij terug. Mijn grootmoeder heeft echt gezegd: ‘Ik wil Duitsers geen hand geven.’ Omdat zij er van uitging dat het allemaal nazi’s waren. Toch was zij met haar man erg aan dat Duitse huis gehecht. En plotseling stond dat huis in de DDR. Mijn grootvader kreeg een functie in het culturele leven van de DDR, hij zorgde ervoor dat de eerste theaters weer open gingen, hij richtte de Berliner Zeitung op. De man uit de oppositie staat ineens aan de kant van de machthebbers. En dat doet iets met je. Plotseling hechten die twee migranten in mijn boek op een egoïstische manier aan dat stuk grond, plotseling steken ruzies met de buren de kop op. De ontberingen en het doodsgevaar veranderen in een kleinzielige oorlog.’’

Een van de aangrijpendste hoofdstukken in Huishouden gaat over het meisje Doris. Het is het enige personage met een eigen naam. Hoe wrang, want Doris, joodse Doris, wordt vernietigd. „Aan Doris Kaplan”, zegt Jenny Erpenbeck, „heb ik het boek opgedragen. Zij zwom in hetzelfde meer als ik, zij speelde in hetzelfde bos. Zij zou het huis krijgen, maar toen moest ze weg. Ik ben naar Treblinka gegaan. Het landschap van Treblinka is in dezelfde ijstijd gevormd als het landschap van mijn jeugd. De nazi’s hebben de joodse mensen naar Polen gestuurd om de moord op hen uit het zicht van de Duitsers te houden, maar het landschap waar zij vermoord zijn is Duitser dan Duits. Vlak voordat ze omgebracht wordt ruikt Doris de bossen van vroeger, ze is met herinneringen die mij dierbaar zijn de dood in gegaan. Voor haar is Heimat iets dat voor altijd verloren gaat. Voor haar is Heimat dat wat er niet is.’’

Erpenbeck, van huis uit operaregisseur, schreef ook Wörterbuch, Dinge, die verschwinden, Tand en Geschichte vom alten Kind. Die beide laatste titels verschenen in het Nederlands onder de titel Wolfskers en steeds valt de intensiteit van Erpenbecks proza op, een combinatie van engagement en afstandelijkheid, van realisme en poëtische kracht. „Ik kijk naar de kern”, zegt de schrijfster simpel. „Ik stel mezelf steeds de vraag: wat kan eruit om die kern over te houden?” Daarbij dwong ze zichzelf om dat wat ze over één figuur te zeggen had tot twaalf pagina’s te beperken. Twaalf personages en twaalf pagina’s per hoofdstuk, niet meer en niet minder. „Dat is haast net zo’n strenge vorm als een sonnet. Het is ook een eerlijke vorm, want iedereen krijgt van mij evenveel aandacht.”

Waarbij gedenkwaardige zinnen ontstaan, zoals, in Huishouden: ‘Ze heeft zo lang verloren tot ze het verliezen onder de knie had.’ De zin hoort bij een oude vrouw. „Het voorbeeld voor die figuur was mijn overgrootmoeder”, legt Erpenbeck uit. „Zij verlaat haar plek, een grote boerderij in Mazurië. Met drie kleinkinderen vlucht ze voor de Russen naar Duitsland. Ik stelde me zo voor: als je de dingen moet achterlaten en dat echt begrijpt, dan verlies je die egoïstische manier van denken over eigendom. Mijn overgrootmoeder heeft nooit gejammerd, ze riep ook nooit dat zij verdreven was. Niets voor mij, zo’n houding, ik klaag juist heel veel.’’ Alweer dat hoge lachje. „Het mooie van mijn familie is dat die me zoveel verhalen schenkt. Stof kom ik nooit te kort.”

Dubbele bodem

Haar eigen familieleven zit zo. Ze is getrouwd, maar haar man woont niet bij haar. Hun achtjarige zoontje wel. Ze wonen in Berlijn-Mitte. Dat was vroeger dus DDR. „Bij het woord Heimat” , zegt ze eerlijk , „denk ik aan de DDR. Die staat kende je, die cultuur kende je, en je dacht dat het altijd zo zou blijven. Theater en literatuur waren in de DDR heel belangrijk. De mensen lazen en luisterden naar de betekenis achter de woorden, ze waren steeds bedacht op een dubbele bodem. Als in de DDR een nieuw boek te koop was, dan stond je twee of drie uur in de rij om het te bemachtigen. Als het gelukt was, was je enorm blij. Nu is elk boek te koop, elke film te zien, niets is meer speciaal. En je kunt nu van alles zeggen, maar het heeft minder effect.’’

Ze zucht even: „De DDR is zo snel opgehouden te bestaan en er zijn zo veel verkeerde beslissingen genomen. Ze hebben de fabrieken voor één euro opgekocht en hebben ze gesloten. Nog steeds verdienen de mensen uit de DDR minder en krijgen ze minder pensioen. Er werd gezegd: ‘Jullie hadden verrotte fabrieken, jullie hebben niet effectief geproduceerd, jullie mogen blij zijn dat wij jullie er als landgenoten bij nemen en het is logisch dat wij jullie niet zoveel betalen als onze eigen mensen.’ Velen zijn hun werk kwijtgeraakt. Mijn moeder is de universiteit uitgejaagd. Wie links was, die moest weg. Ook als je een goede wetenschapper was.’’

Natuurlijk vond ze veel in de DDR onaangenaam. „Maar ik ben erdoor gevormd. Alles wat vertrouwd was, was ineens anders, tot en met de koffie. Zonder dat ik erom gevraagd heb, is de maatschappij compleet gekanteld.” En alweer moet ze aan haar grootmoeder denken, de communistische schrijfster. „In de DDR hadden haar boeken een oplage van anderhalf miljoen. Maar na de Wende ging haar uitgeverij failliet en niemand wist nog wat zij had geschreven. Dat was een tragedie voor haar. Ze is zo goed als gek geworden en heeft aan het eind van haar leven cryptische dingen gezegd. Zo van: ‘We hebben alles geprobeerd maar we hebben alles verkeerd gedaan.’ Of: ‘Alles was te veel en alles was te weinig.’ Ze heette Hedda Zinner.’’

Haar kleinkind Jenny vond een West-Duitse uitgeverij waar niemand wist dat haar familie vol met schrijvers zat. Voor dat kleinkind was die anonimiteit juist plezierig. „Zo kon ik een frisse start maken.” Schrijven doet haar goed. „Het is een prima manier om over dingen na te denken. In het dagelijks leven denk ik niet zoveel na. Ik denk na als ik aan mijn schrijftafel zit en me concentreer. Er gaan voor een schrijver ook veel deuren open. Ik kan wildvreemden bezoeken en zeggen: ‘Ik schrijf een boek, ik zou graag dit en dat van jullie willen weten.’ Ik heb mensen gesproken die ons stuk grond hadden afgepakt en die daarom vijandig tegenover onze familie stonden. En plotseling bekeken we elkaar van een andere kant. Een vrouw haalde uit haar kelder een olieverfschilderij van het huis aan het meer. Dat is het fijnste van schrijven: omdat je de verhalen van anderen hoort ben je niet meer in je eigen verhaal gevangen.”