Hij veranderde de politiek

Hans van Mierlo stond in 1966 aan de wieg van D66.

Hij was filosoof, bohémien, romanticus, redenaar, bon vivant, eeuwige twijfelaar en natuurlijk ook nog politicus.

„Hans leeft vanaf nu in blessuretijd”, zeiden D66’ers toen Hans van Mierlo in 2000 een levertransplantatie had ondergaan. Hij heeft die blessuretijd nog een kleine tien jaar weten op te rekken. Gisteren overleed boegbeeld en medeoprichter van D66, toen nog als D’66 geschreven, op 78-jarige leeftijd. Nog tien jaar van het leven genoten, want zoals Van Mierlo zelf vijf jaar na zijn transplantatie zei op de manier zoals alleen hij het kon zeggen: „Dood zijn kun je nog zo lang, hè?”

Maar nu is hij dan toch echt zelf geschiedenis geworden: Hans van Mierlo, Hafmo, zoals hij binnen zijn partij wel liefkozend werd genoemd. Filosoof, bohémien, romanticus, redenaar, bon vivant, meester van de paradox, eeuwige twijfelaar en ja, natuurlijk ook nog politicus.

Want bovenal was hij de politieke verpersoonlijking van de Nederlandse culturele revolutie in de jaren zestig die maar nooit echt een revolutie heeft willen worden. Nederland had immers zijn repressieve tolerantie die er binnen korte tijd voor zorgde dat D66 en dus Van Mierlo zelf onderdeel van het door hen verguisde systeem werden. Begonnen als criticus van de staat, overleden als Minister van Staat. Zelf zou hij het ongetwijfeld een paradox genoemd hebben.

In het denken van Van Mierlo liep één constante lijn: het ter discussie stellen van de vanzelfsprekendheid van de macht en het ontbreken van het zelfreinigend vermogen bij dezelfde macht. Macht waar hij en zijn partij enkele keren van mochten proeven.

De peinzende middendertiger, wandelend over een Amsterdamse gracht, weggedoken in zijn regenjas. Zo maakte het Nederland van zwart-wit-tv en nog maar net twee televisienetten in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van februari 1967 kennis met Hans van Mierlo. De kijkers zagen het ietwat doorleefde gelaat en zij hoorden de warme stem met een licht zuidelijk accent spreken: „We waren ongerust. Over de politieke situatie in ons land. Over de verwarring en de ondoorzichtigheid. Over de tanende invloed van de kiezers. Over de ontoereikendheid van de verouderde politieke spelregels.”

Het was de tijd dat Amsterdam gistte. Provo tartte op straat het gezag. Teach-ins waarin over maatschappelijke vraagstukken werd gediscussieerd, waren een doorslaand succes. Van Mierlo, journalist bij het Algemeen Handelsblad (waar later NRC Handelsblad uit voortkwam), maakte deel uit van ‘de groep van dertien’ die in het Amsterdamse Krasnapolsky bijeenkwam, met als bedoeling de onvrede te organiseren. De groep van dertien groeide uiteindelijk uit tot 36.

Van Mierlo werd voorzitter, volgens eigen zeggen omdat hij niet zo snel zoals vele anderen van de groep een smoes voorhanden had om nee te zeggen, volgens anderen omdat van meet af aan duidelijk was dat hij de persoon was die de boodschap kon overbrengen. Dat bleek ook wel, toen besloten werd onder de naam Democraten 66, afgekort D’66, een politieke partij op te richten die moest gaan meedoen aan de verkiezingen van 1967.

Met zeven zetels marcheerde Van Mierlo de Tweede Kamer binnen. Voor die tijd was het een aardverschuiving. De gevestigde politiek beschouwde de nieuwe partij als een indringer in haar systeem. Eenmaal binnen wilde de rest van dat systeem ook weten waar Van Mierlo politiek stond: „Met het pistool op de borst kies ik voor de PvdA”, gaf Van Mierlo na lang aandringen toe. Zijn voorkeur voor die partij en zijn goede contacten met Joop den Uyl legden de kiem voor de problemen die Van Mierlo enkele jaren later met zijn eigen partijgenoten zou krijgen. Terwijl D66 in 1973 met een zeer bescheiden equipe tot het kabinet-Den Uyl toetrad, werd Van Mierlo in de Tweede Kamerfractie als voorzitter afgezet en belandde op een zijspoor.

In 1981 keerde hij verrassend terug in de politiek als minister van Defensie voor zijn partij in het later als ‘ramp’ bestempelde kabinet Van Agt-Den Uyl, dat dan ook niet langer dan negen maanden zat. Kort daarop zag de medeoprichter van D66 vanuit de Eerste Kamer zijn partij wegkwijnen. De vraag was alleen nog maar of D66 ten onder zou gaan aan een gebrek aan leden of aan faillissement.

Van Mierlo probeerde het nog één keer en kwam met iets dat op een nieuwe beginselverklaring leek: een reden van bestaan. Een stuk dat razend enthousiast werd ontvangen, maar wel met de kanttekening dat Van Mierlo de leiding bij de uitvoering diende te nemen. En dus werd hij in 1986, twintig jaar na zijn politieke debuut, opnieuw lijsttrekker.

D66 zat weer eens in de lift wat ertoe leidde dat bij de verkiezingen van 1994 het zetelaantal van de partij verdubbelde van 12 naar 24 en de partij daarmee de sleutel voor de macht in handen had gekregen. Zonder de steun van D66 was nauwelijks een meerderheidskabinet te formeren. Zodoende kon Van Mierlo PvdA en VVD dwingen het zonder het CDA, maar met elkaar en D66 te proberen. Paars was geboren, de vanzelfsprekendheid van de macht – die van de christen-democraten – doorbroken.

Zelf werd hij in het eerste paarse kabinet onder leiding van PvdA-aanvoerder Wim Kok minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier. In 1998 besloot Van Mierlo zich niet meer herkiesbaar te stellen. Vanaf dat moment ging hij verder als invloedrijk ‘geweten’ van D66.

De betekenis van Van Mierlo voor de Nederlandse politiek gaat veel verder dan die van D66 waarmee zijn naam zo verbonden is. Hij heeft zijn gelijk over de aanklacht uit 1966 over het falen van het systeem in de loop der jaren alleen maar bevestigd gezien. Er kwamen nieuwe ontwikkelingen bij zoals individualisering en informatisering die zijn analyse ondersteunden. Al begin jaren negentig, tien jaar voor Pim Fortuyn was hij ervan overtuigd dat politieke partijen steeds meer plaats zouden gaan maken voor individuele personen.

In 2006 zei hij in een ontroerend televisieportret van Edmond Hofland en Hans Fels dat D66 „misschien wel veertig jaar te vroeg was begonnen”. Mooi kon ‘Hans’ het altijd verwoorden. Geen schrijver, een prater. Van Mierlo dacht, terwijl hij sprak. En het filosoferen hield bij hem nooit op. Want hij had nog zo veel te zeggen, omdat hij nog zo veel vond.

Zoals het staat in zijn favoriete gedicht van Martinus Nijhof, Het kind en ik: „...Maar toen heeft het geschreven/ zonder haast en zonder schroom/ al wat ik van mijn leven/ nog ooit te schrijven.