Held verslaat monster - en sancties

Een groep jongeren heeft Irans eerste serieuze computerspel gemaakt. Dat gebeurde ondanks sancties, betogingen en de geringe ondernemingslust in Iran.

Dat een vriendenclub van heavy metal muzikanten, topstudenten en cartoonisten Irans eerste serieuze computerspel heeft gemaakt is niet zo heel bijzonder. Maar dat ze dat hebben gedaan ondanks internationale sancties en zonder al te veel kennis van zaken, in een land waar jonge mensen weinig kansen hebben om iets op eigen kracht te bereiken, dat is wel speciaal.

Wie het stoffige kantoor van Arash Jafari (32) en Amir Hussein Fassihi (34) in Oost-Teheran binnenloopt, staat direct oog-in-oog met de ‘eindbaas’ (belangrijkste vijand) van hun spel ‘Garshasp, the monster slayer’. Een levensgrote uitsnede van een gehoornde duivel in een beige overjas wacht bezoekers in de hal op.

Het is Akouman, die volgens pre-islamitische Iraanse legendes het symbool is van slechte gedachten. Het monster is een creatie van Soheil Eshraghi, de animator van het spel.

„Ik zat met Soheil in een band”, zegt Jafari, een breed gebouwde electronica ingenieur. „Ik speelde percussie, hij drums. Ik wist niet dat hij kon tekenen.” Maar Soheil kon zeker tekenen. In 2000 won hij een prijs van de Verenigde Naties, die werd uitgereikt door toenmalig secretaris-generaal Kofi Annan.

De VN-prijs is illustratief voor de makers van ‘Garshasp’, die allemaal een bijzondere achtergrond hebben. Jafari was student aan de Sharif-universiteit in Teheran, waar jaarlijks slechts de eerste 800 van de circa 200.000 studenten die het toelatingsexamen doen, worden geaccepteerd. Fassihi studeerde er ook. Hij kreeg vervolgens een beurs voor de Verenigde Staten, maar uiteindelijk deed hij iets wat maar weinig Iraanse studenten in het buitenland doet: hij keerde terug naar zijn land.

In Teheran begon hij samen met Jafari, die hij kende van basketbal op de campus, een bedrijf in websites. „Daar verdienden we wat geld mee, toen we genoeg hadden besloten we het in het spel te investeren dat ik al jaren in gedachten had”, zegt Fassihi.

Iraniërs, die moeten leven met hoge inflatie, in gerechtelijke en bestuurlijke onzekerheid, vinden dat iedere onderneming waar niet direct geld uit komt, per definitie een belachelijk plan. Er geldt geen copyright, dus games, muziek en dvd’s kunnen straffeloos worden gekopieerd en doorverkocht. „Mensen dachten dat we gek waren geworden”, zegt Jafari. „Waarom gingen we geen torenflats bouwen? vroegen onze ouders.”

Maar het maken van een computerspel was altijd al een droom geweest, zegt Fassihi. Toen hij negen was woonde hij een tijd met zijn ouders in Tokio, waar hij op de Nintendo speelde. „In Iran zag ik altijd dat er wel veel talent was, maar geen kennis om zulk soort spellen te maken.” Daarnaast verbieden internationale sancties de levering van de software voor het maken van games aan Iran.

Op Engelstalige games forums werden Iraanse amateurprogrammeurs gevonden. „Ze waren in Teheran en wilden graag meewerken”, zegt Jafari. Voor de ‘motoren’ van het spel, de belangrijkste software, werden alleen gratis verkrijgbare programma’s gebruikt, niet de betere producten waarvan de fabrikanten geen exportvergunning voor Iran afgeven.

Nu, vier jaar later, heerst er op het kantoor een sfeer van een rebellenclub. Terwijl Iran met de buitenwereld ruziede over zijn nucleaire programma en de oppositie acht maanden lang fel demonstreerde tegen de regering, werd er in het gamehoofdkwartier nijver doorgewerkt, met behulp van chips en cola, het internationale voedsel voor computernerds.

„Onze vrienden vragen ons waarom we hier de hele tijd in dit kantoor zitten, bijna voor niets”, zegt Yaser Zhian die een groot deel van het spel heeft ontworpen. „Omdat we hier doen wat we leuk vinden, antwoord ik dan. Dat vinden mensen in Iran iets ongelofelijks, doen wat je leuk vindt.” Op de achtergrond klinkt muziek. Yaser heeft chocoladetaart meegenomen.

In de tussentijd namen Jafari en Fassihi contact op met een ontwikkelingsorganisatie van het ministerie van Islamitische Leiding en Cultuur. Die had een klein budget om in games te investeren, voornamelijk met de gedachte om een eigen gamesindustrie te bevorderen. Een woordvoerder van de ontwikkelingsorganisatie legt uit: „we willen Iraanse spellen promoten in de hoop dat die betere culturele waarden hebben dan de westerse spellen.”

‘Garshasp’ voldoet inderdaad gedeeltelijk aan die eis. Het gehele spel is gebaseerd op de pre-islamitische Iraanse geschiedenis. Met de islam heeft het weinig te maken. Desondanks kregen de spelmakers wat geld waarmee ze naar diverse internationale beurzen in Europa gingen.

„Daar werd onze game enthousiast ontvangen”, zegt Jafari. „We hebben al distributeurs gevonden” . Volgens Fassihi kan er weinig meer fout gaan. „Alleen als we er zelf fouten maken kunnen we mislukken. We hebben onze toekomst zelf in de hand.”

Toch is dat niet helemaal waar. Het spel, dat klaar is, kan momenteel niet worden gelanceerd.

„Met alle onrust op straat is dit geen goed moment om een gewelddadig spel uit te brengen”, zegt Jafari . „Daar kunnen we weinig aan doen.”