Hans bleef ouder dan ik - en genoot

Bewonderingswaardig hoe Hans er telkens in slaagde D66 te revitaliseren, schrijft Ruud Lubbers.

Hans van Mierlo is overleden; heeft ons verlaten. Met intense droefheid en grote dankbaarheid tast ik naar woorden. Dat afscheid nemen met woorden van Hans van Mierlo, zelf een zo begenadigd spreker, is even nodig als niet te doen; Hans’ laatste paradox.

En nog één keer neemt hij mij mee. Terug naar zijn en mijn jeugd – wij schelen acht jaar – toen ik hem, of beter gezegd zijn naam, voor het eerst tegenkwam; door hemzelf aangebracht in het gips achter de grote aula, de toneelzaal van het Canisius-college, het befaamde internaat.

„Wie is dat ?” vroeg ik als elfjarige. Het antwoord luidde: „dat is een van de beste toneelspelers en sprekers”. Dat was 1950. Twintig jaar later ontmoette ik Hans van Mierlo in het echt. Hij was nog steeds acht jaar ouder en daar traden wij dan samen op in een debat over Limits to Growth, het befaamde rapport van de Club van Rome.

In 1966 was hij D66 begonnen. Dat had ik met bewondering gevolgd en zelf had ik meegeschreven aan het Manifest van de Christenradicalen. Wij kwamen te praten en van elkaar te houden en dat is nooit opgehouden.

Hans van Mierlo wilde geen CDA, ik wel. In 1980 werd ik de eerste fractievoorzitter en in 1994 verliet ik het politieke toneel met 54 zetels. Maar ik bleef genieten van zijn spiritualiteit en onze vriendschap. Veelzeggend was zijn kritiek op de Troonrede, toen ik de Koningin liet zeggen dat er ook enige lichtpunten in het milieubeleid zijn. „Helemaal fout” en „de doem moet aangezegd”, zo sprak Hans in de Kamer en hij werd op zijn wenken bediend toen in de Kerstrede van dat jaar uit de mond van de Koningin klonk dat de aarde stervend was.

Bewondering kreeg ik voor Hans hoe hij na iedere neergang van D66 er steeds weer in slaagde de partij te revitaliseren. Zijn grote triomf was natuurlijk de vorming van het Paarse kabinet in 1994. Ik gunde het hem en het werd een goed kabinet. Wij bleven vrienden. En zo ging het voort; andermaal D66 naar beneden en ik vroeg Hans of staatkundige vernieuwing niet te zeer een fixatie was geworden? Het humanisme – en dat waren wij – gaat toch over veel meer.

Hans indringende trant van spreken, het met paradoxen openbreken van de harten en geesten van wie hij toesprak – of het nu om kernwapens, onderwijs of vreemdelingen ging – was zo indrukwekkend en overtuigend dat Hans, niet zonder moeite maar met overtuiging, de staatkundige hervorming voorbijging; hij werd breed vrijzinnig.

Onze vriendschap, bij mij ook gesteund door het Handvest van de Aarde, kreeg nieuwe impulsen. Hans en ik waren ook samen schavotten, maar dan wel gentlemen-schavotten. Hans bleef ouder dan ik; en leefde en genoot zo intens.

Zo begon het einde te naderen. Met pijn volgde ik hem; overigens wetend dat hij goed omringd was door zijn kinderen, door Conny, nu zijn echtgenote, en door hen die hem politiek nabij stonden.

En toen bleek hoe Hans, die mij een en andermaal had bezworen compassie ook als richtsnoer te gebruiken voor de vraag hoe om te gaan met ondraaglijk lijden, zelf absolute prioriteit bleef geven aan de voortzetting van de „vreugdevolle viering van het leven”.

En zo is hij nu van ons weggegaan en in mijn geheugen staan gegrift die vele malen dat hij de hoofden en harten van mensen openbrak, hen nieuwe moed gaf, vooral zijn geliefde D66.

Ruud Lubbers is Minister van Staat en was van 1982 tot 1994 premier van Nederland.