Groot staatsman maar doel niet bereikt

Wat hij bereikte is dat een hele generatie warmliep voor idealen die hij verwoordde, zegt Jan Vis.

‘We moeten de revolutie maken voordat hij uitbreekt.’ Hans zei dit uit volle overtuiging in het najaar van 1966, de periode tussen de presentatie van het Appèl en de oprichting van de partij.

Een heldere verwoording van ongerustheid en doelbewustheid die de echte achtergrond was van al zijn politieke handelingen: de staatsrechtelijke vernieuwingsvoorstellen, de schaduwkabinetten van de vroege jaren 70 en, onder leiding van Joop den Uyl, de plannen voor de progressieve volkspartij. En in de jaren 90 het paarse kabinet als valbijl waarmee het confessionele regeringsautomatisme werd doorbroken.

Hans had iets van de klassieke Romeinse staatsman die nooit heeft bestaan maar door Livius is beschreven: de res publica als een heilige zaak. Het ceterum censeo van de oude Cato (‘Overigens ben ik van mening dat...’) citeerde hij met een twinkeling in zijn ogen.

Zeventien jaar lang was hij de politieke leider van D66 (van 1966 tot 1973 en van 1989 tot 1998) en dat is heel wat korter dan je op het eerste gezicht zou denken. Maar Hans kwam terug en dat is weinig politici gelukt.

Dat D66 moest opgaan in een groepering die de electorale meerderheid zou kunnen verwerven, stond voor hem in begin jaren zeventig vast. Dat sociaal-democraten en radicalen (PPR) daar wel oren naar hadden, kwam vooral door Van Mierlo’s vondst van het schaduwkabinet met Joop den Uyl als schaduwpremier (in 1971 en voor de tweede maal in 1972). Joop werd premier maar de progressieve volkspartij mislukte: Hans nam zijn verlies door het voorzitterschap van de fractie over te doen aan Jan Terlouw – zonder morren naar de achterste bank.

Het verouderde politieke bestel omschreef hij als een stel zuilen die zweefden, omdat de basis was zoekgeraakt. Daarom waren democratische vernieuwingen nodig. Het verval van de zuilen verloopt nu in ijltempo, maar vernieuwingen als de rechtstreekse verkiezing van de minister-president worden door de gevestigde orde nog steeds geblokkeerd. Het is ironisch dat juist tijdens het sterven van Van Mierlo Balkenende liet weten ‘alleen voor goud te gaan’ en geen Kamerlid te willen worden. Misbruik van de Kieswet, machtspolitiek in optima forma.

Van de traditionele politieke denominaties moest Hans weinig hebben. Maar in veel politieke kwesties stond hij dichter bij de sociaal-democraten dan bij de liberalen. Met Den Uyl had hij een zekere geestverwantschap: de weggelopen katholiek en de weggelopen calvinist. Allebei een hoofd vol ideeën en slordig in de kleren. Hans had geen rijbewijs en Joop reed hem vaak naar huis in zijn uitgewoonde DS.

Dat D66 zich tenslotte afficheerde als sociaal-liberaal vond Van Mierlo vermoedelijk onzin want helemaal uit de tijd, maar hij zweeg daarover. Een van zijn sterkste stukken was Een reden van bestaan, de preambule voor de renaissance aan het eind van de jaren tachtig, gecomponeerd met Aad Nuis, al wandelend over de Drentse hei. Bij de begrafenis van Nuis sprak Hans warme woorden over deze metgezel die intussen het atheïsme had verlaten. Hans was hem daarin niet gevolgd, maar zelden heb ik iemand met meer respect en gevoeligheid horen spreken over andermans opvatting.

Van Mierlo heeft zijn politieke doelen niet bereikt. Hij heeft de revolutie niet gemaakt en de gevreesde verwarring ligt om de hoek. Wat hij wel bereikte was dat een hele generatie warmliep voor politieke idealen en beginselen die hij evenwichtig, mild maar ook met passie verwoordde. Daarin zal deze Minister van Staat nog lang uniek blijven.

Jan Vis is oud-senator van D66.