Gijsbrecht en Badeloch als barbiepoppen

De Mad Men barbiepop komt in vier variaties: Don Draper, Betty Draper, Roger Sterling en zijn flamboyante minnares Joan Holloway. 74,95 dollar per stuk. Een bewijs dat de Amerikaanse tv-serie, waarvan het derde seizoen nu op de BBC te zien is, deel uitmaakt van de courante Amerikaanse cultuur.

Maar ook een teken dat de fut uit de serie is. Mad Men, gesitueerd rond een reclamebureau aan Madison Avenue in New York, begon als een vreselijk spannend drama rond een reclameman die niet is wie hij is, omdat hij in de Koreaanse oorlog met een gesneuvelde kameraad van plaats heeft gewisseld.

Het tweede seizoen was al minder spannend: meer toegespitst op geleidelijke veranderingen in het leefpatroon. Dit derde seizoen wordt Mad Men steeds meer een soapserie. Zelfs het slechtste huwelijk bloeit nog wel eens even. Man gaat vreemd met de au pair van de buren. Huwelijk van secretaresse valt tegen.

Nog steeds vreselijk goed gedaan natuurlijk, vol tijdsbeelden en authentieke accessoires. Misschien ook wel dichter bij het leven: alles gaat maar door, tot de dood erop volgt.

Maar zonder de fantasmagorische kwaliteiten van dat eerste seizoen.

De reden van deze ontwikkeling is niet moeilijk te zoeken: met een bescheidener opzet hou je een serie langer vol. Matthew Weiner, de bedenker van Mad Men, is in dit derde seizoen in het jaar 1963 aangeland en heeft aangekondigd de gehele jaren zestig te willen doorlopen. Als dat lukt, is het in ieder geval een originele poging tot Amerikaanse geschiedschrijving. Het is alleen te hopen dat Mad Men, met zijn pijnlijk nauwkeurige reconstructie van kleren, gewoonten en gebruiksvoorwerpen, niet tot een holle fetisj verwordt.

Over geschiedschrijving gesproken, en ook een beetje over fetisj: op het Boekenbal werd dit jaar weer eens een pleidooi voor het herstel van de Gijsbrecht-traditie vernomen. De Fransen hebben Molière, de Engelsen Shakespeare, dus waarom voeren wij Joost van den Vondel zo weinig op? – betoogde Adriaan van Dis.

Er is alleen zo weinig vergelijk tussen Vondel, Shakespeare en Molière. Neem alleen al het feit dat in de Gijsbrecht bijna alle actie wordt opgediend middels boden-verhalen – met personages die vertellen wat er elders in de stad voor spannends gebeurt. En dat in een taal vol metaforen die vergeleken met die van de twee illustere auteurs uit de vergelijking onmiskenbaar gezwollen aandoet.

Het is niet voldoende om te stellen dat iets nationaal erfgoed is – je moet er ook nog iets mee kunnen. De tijd dat in de Nederlandse speelgoedwinkels barbiepoppen van Gijsbrecht en zijn vrouw Badeloch te koop zijn, lijkt nog vér weg.

raymond van den boogaard