Geen genade voor een doorsneevrouw

Pauline Slot: En het vergeten zo lang. De Arbeiderspers. 372 blz. € 19,95.

Pablo Neruda (1904-1973) wordt algemeen beschouwd als een groot dichter. Hij won de Nobelprijs voor literatuur. García Márquez noemde hem ‘de grootste 20ste eeuwse dichter in elke taal’. Toch heeft hij ook enkele smetten op zijn blazoen. Zo kwam hij nooit terug op zijn aanvankelijke bewondering voor Stalin. Een ander minpuntje: het kind dat hij kreeg met Maria Hagenaar, zijn eerste vrouw. Hij noemt het niet in zijn autobiografie Ik beken ik heb geleefd (1974). Aan Maria zelf maakt hij ook niet veel woorden vuil. Zij was ‘een Hollandse met een paar druppels Maleis bloed, die ik erg aardig vond.’

De dichteres Hagar Peeters zou werken aan een boek over dit vergeten kind. Dan hebben we straks vergelijkingsmateriaal. Pauline Slot schreef al een roman, En het vergeten zo lang, over de in Batavia geboren Maria, door Neruda omgedoopt tot Maruca, en over hun kind, Malva.

In het begin vond Neruda Maruca blijkbaar ‘erg aardig’. Maar als wij Slot mogen geloven, die alle bronnen naploos en het echtpaar nareisde over drie continenten, bekoelde zijn enthousiasme al snel. Maruca ging in 1930 graag in zee met de Chileense consul, die haar meenam naar Santiago en vervolgens naar Buenos Aires, Barcelona en Madrid. Hij was er niet alleen consul, maar vooral ook dichter. Dat ging gepaard met veel aanloop van andere dichters en schrijvers. Doordat Maruca het Spaans niet perfect beheerste en zij maar matig geïnteresseerd was in literatuur, hoorde zij er vanaf het begin niet echt bij. Niet bij Pablo en zijn familie en ook niet bij zijn vriendenkring. Ook in andere opzichten was zij, als gringa en door haar lengte (1 meter 80), een buitenbeentje. Zij werd wel ‘de giraf’ genoemd. De geboorte van Malva, in augustus 1934, bracht niet de gewenste toenadering. Het kind bleek een waterhoofd te hebben. Pablo maakte geen geheim meer van zijn liefdesrelatie met de veel oudere Delia en Maruca belandde op een zijspoor. De officiële scheiding zou pas veel later worden uitgesproken, maar Pablo had het zo druk met zijn dichterlijke en politieke besognes dat hij alleen nog aan zijn vrouw en kind in het verre Holland dacht als hij weer geld moest sturen.

Is Neruda een hufter omdat hij zich wel inzette voor de verdrukte mens in het algemeen, maar niet voor zijn eigen gezin? Eigenlijk wel natuurlijk. Maar we kunnen ons ook wel voorstellen dat hij snel uitgekeken raakte op zijn Maruca. Zij rijst op uit deze roman als een doorsneevrouw – met doorsneegedachten. Er gaat weinig van haar uit: geen geestdrift, geen gekkigheid, geen ijver in welke richting dan ook. Er is één ding dat Maruca goed kan en dat is klagen. Ze voelt zich eenzaam. Ze heeft Pablo nooit voor zichzelf. Ze verveelt zich. Ze is jaloers omdat hij geen gedichten over haar schrijft. Als ze onderweg naar Barcelona Las Palmas aandoen, kijkt ze wel om zich heen, ‘maar zonder interesse’.

Een leuk leven had Maruca duidelijk niet, maar moest het daarom ook allemaal zo vreugdeloos worden beschreven? Deze roman sleept zich van de ene ontgoocheling naar de andere. Geen kwinkslagen, geen ironische wendingen. De wijdlopige formuleringen maken het nog zwaarder. Maruca voelt voor het eerst een sneeuwvlok op haar gezicht: ‘Nooit eerder waren haar wangen een plaats geweest waar ijs op smolt.’ Maruca moet blozen: ‘Ze voelde een blos omhoogkruipen over haar wangen, als een roofdier dat zich opmaakt om haar ogen te bespringen.’

Het enige personage dat zich aan de zwarigheden weet te onttrekken is Malva, het kind van de rekening, dat maar acht jaar werd. Vader Pablo zou haar in een brief afdoen als ‘een monster’. Malva zelf is een oase van rust te midden van veel reuring: de treurige scheiding van haar ouders, bloedige burgeroorlogen, de grote crisis, de naderende wereldoorlog. Zij kan niet lopen en niet praten, maar is altijd goed gehumeurd. Misschien is het juist wel door dat woordloze dat Slot de liefde tussen Maruca en Malva overtuigend weet over te brengen – mooi bevestigd door de ontroerende foto van moeder en kind achterin de roman. In Gouda is het grafje bewaard gebleven van het enige kind van Neruda: lang vergeten, maar na ruim 70 jaar toch nog vereeuwigd.