Een bonsaiversie van Balzacs 'Menselijke komedie'

Aravind Adiga: Tussen de aanslagen. Uit het Engels vertaald door Arjaan van Nimwegen. De Bezige Bij, 312 blz. € 19,90

In India is terrorisme een fact of life, verklaarde de Indiase schrijver Aravind Adiga op oudejaarsdag in een interview in de Volkskrant. Wie het aantal aanslagen telt, moet het daar wel mee eens zijn, maar wat gebeurt er in de tussentijd? Bijvoorbeeld in de periode tussen de aanslag op Indira Gandhi in 1984 en die op haar zoon Rajiv in 1991? Wordt er dan voorbereidend werk verricht, gaat alles z’n gangetje of creëert juist elke handeling een potentieel broeinest van misverstanden?

Zo expliciet is Adiga niet in de verhalen in Tussen de aanslagen die zich in deze periode afspelen, noch komen die aanslagen zelf aan bod. Maar de sfeer in Adiga’s tweede boek – na het met de Booker Prize bekroonde De Witte Tijger – is er een van voortdurende dreiging, voortkomend uit ongenoegen en persoonlijk onvermogen.

Aan de hand van portretten tegen de achtergrond van de provinciestad Kittur creëert Adiga, om in zijn eigen woorden te blijven, een ‘bonsaiversie van Balzacs La Comédie Humaine’. En zo bevat Tussen de aanslagen een staalkaart aan personages waarmee een breed beeld wordt gegeven van het leven in India. Soms keert een personage zijdelings nog wel eens terug, maar waarom het boek een roman heet, in plaats van ‘verhalenbundel’, wordt niet echt duidelijk.

Het boek had ook ‘reisgids’ kunnen heten. Elk verhaal begint met een toeristische wandeling door Kittur en omgeving. En dan staat er bijvoorbeeld: ‘Van bijzonder belang zijn de fresco’s van het wonderbaarlijk geconserveerde lichaam van de heilige Franciscus Xaverius op het plafond van de kapel, en de kolossale muurschildering achter het altaar, getiteld Allegorie van Europa dat Wetenschap en Verlichting naar India brengt.’

Dat ‘brengen’ van wetenschap en verlichting is waar het in alle verhalen in wezen over gaat: hoe ontwikkelt India zich tot een moderne staat, en in hoeverre is het land beïnvloed door westerse waarden en vooral: financiële normen?

Waar aanvankelijk het kastenstelsel nog de verschillen tussen arm en rijk verklaart, wordt dat steeds moeilijker verteerbaar voor Adiga’s personages. De meesten, van lage kaste, proberen iets te veranderen aan hun leefomstandigheden. De een doet dat door huisbediende te worden om een gelijkwaardig niveau met de rijke madam te bereiken, de ander door de fietskar in te ruilen voor het plakken van verkiezingsposters. Maar allen krijgen het lid op de neus: gelijkheid is onhaalbaar – de fietskoerier blijft achter zijn kar meer calorieën verbranden dan hij binnenkrijgt. En de veranderingen gaan zo aan de meeste mensen voorbij. Wie arm is, hoeft sowieso niets te verwachten. Wil je het hoofd boven water houden, dan heb je je aan te passen aan de wensen van een ander. En slaag je er wél in iets te veranderen, dan zijn de consequenties niet te overzien.

Wat Adiga met dit boek wil, wordt duidelijk aan het slot waarin een maoïstische communist van de MCC verhalen schrijft in het verlangen de Indiase Guy de Maupassant te worden. Gedetailleerde beschrijvingen van boeren, feesten, varkens, riolen, kortom het dagelijks leven zet hij op papier om die verhalen vervolgens naar een redacteur van een weekblad te sturen. Hij wordt uitgenodigd voor een gesprek: ‘„Jouw personages willen helemaal niets. [...] „Ze denken na hoe ze de wereld ten goede kunnen vernaderen. Ze verlangen naar een betere maatschappij,” [antwoordt de verhalenschrijver]. „Ze willen niets!” riep de redacteur. „Ik kan geen verhalen publiceren over mensen die niets willen!” ’

Dat laatste kan gelukkig wel. Bovendien: de meeste personages willen ook wel wat, alleen bereiken ze niets. Adiga zet dat in zijn verhalen mooi neer, zonder dat het ook maar een moment gaat vervelen. Hij weet je mee te slepen in de vele levens waarin uiteindelijk niets gebeurt. Niet door het gebrek aan wilskracht van de personages, maar door het uitblijven van die wil door de buitenwereld.

Het enige bezwaar dat je tegen Tussen de aanslagen kan hebben, zeker wanneer het om een roman zou gaan, is dat Adiga hier net als in De Witte Tijger wederom gebruik maakt van ‘trucs’. In De Witte Tijger vormden de brieven aan een Chinese premier het structurerende middel, hier bestaat de trukendoos uit een toeristische rondleiding waarmee elk verhaal begint. Misschien wil Adiga met deze vorm in Tussen de aanslagen een alternatief bieden voor de kenmerkende Indiase, breed uitwaaierende familieromans waarin de vele personages je om de oren vliegen. Wanneer dat het geval is, dan is Tussen de aanslagen een voortreffelijke poging tot roman.