Edelman, bedelman, moederskindje

Voor haar biografie van prins Bernhard heeft Annejet van der Zijl zich minder ingeleefd in de hoofdpersoon dan in zijn tijd. De figuur Bernhard lijkt haar niet zo veel te kunnen schelen. Wél zijn lidmaatschap van de NSDAP.

Annejet van der Zijl: Bernhard. Een verborgen geschiedenis. Querido, 456 blz. €27,95.

Een nieuwe biograaf van prins Bernhard maakt het zichzelf niet gemakkelijk. Er is immers al zoveel over de prins geschreven. En dat van heel verschillend allooi. Door de prins gesouffleerde hagiografen als Waterink en Alden Hatch werden gevolgd door de criticasters Klinkenberg en Aalders die Bernhards leven in nazi- Duitsland herschiepen in een bruine legende. Op hun beurt deden boze tongen Cees Fasseurs studie over het huwelijk van Juliana en Bernhard soms af als veredelde chicklit. Daarnaast is er een kleine industrie van vrolijke Bernhard-verhalen waar feit en fictie ingenieus vervlochten zijn, zoals het driedelige stripverhaal Agent Orange, Tomas Ross’ thriller Omwille van de troon, die alle Bernhard-roddels samenzweerderig aan elkaar schrijft, en onlangs nog de televisieserie Schavuit van Oranje. Wat dit genre zo verraderlijk maakt, is dat het vaak opvallend goed gedocumenteerd is. En op de achtergrond is er steeds de prins zelf die als zijn eigen spindoctor heeft geprobeerd de beeldvorming te regisseren, tot over het graf. Wie daaraan nog wat wil toevoegen, moet goede papieren hebben. Maar die heeft Annejet van der Zijl, veelgeprezen biograaf van Annie M.G. Schmidt en auteur van de aangrijpende non-fictiebestseller Sonny Boy.

Het verhaal begint ruim voor Bernhards geboorte met de opvolgingsstrijd om de troon van Lippe-Detmold in het wilhelminische Duitsland. De onaanzienlijke Biesterfeld-tak behaalde daarin een zwaar bevochten overwinning. De ‘Biests’ waren ‘walgelijke, ordinaire lieden’ met vorstelijke allures, schamperde de zuster van de Kaiser, prinses Viktoria. Zo kon elke Herr Müller of Fräulein Schultz wel vorst willen worden. Maar Viktoria had belang bij de afloop, want haar man, een Schaumburg-Lippe, was de andere pretendent. Eenmaal op de troon van Lippe (een ministaatje bij het Teutoburgerwoud) konden de Biesterfelds geen steken laten vallen. Vandaar dat Bernhards vader, een jongere zoon, de familie in grote verlegenheid bracht toen hij het tegen alle erecodes in aanlegde met de vrouw van een broeder-officier, de vrijgevochten Armgard von Cramm, die Bernhards moeder zou worden. Dit schandaal betekende meteen zijn ontslag uit het leger. Hun morganatische huwelijk – Armgard werd daarmee een soort ‘geregistreerde maîtresse’ overdrijft Van der Zijl – was de reden waarom zijn vader jarenlang de prinsentitel werd onthouden.

Bernhard zelf – of Bernilo zoals hij genoemd werd – komt pas echt tot leven als hij naar de middelbare school gaat en vooral als hij vanaf 1926 – hij is dan al vijftien – het prestigieuze Arndt-Gymnasium in Berlijn bezoekt. Zijn verhaal blijft lang ondergeschikt aan dat van zijn familie, die moest zien te overleven in de barre tijden van Weimar en Hitler. Soms waren er meevallers zoals harde Amerikaanse dollars uit een erfenis. Maar soms moest het geld verdiend worden in de paardenhandel, gedreven door de paardengekke Armgard en haar sfinxachtige metgezel Pantchoulidzew, die na de dood van Bernhards vader in 1934 diens plaats zou innemen. Van der Zijl projecteert de lotgevallen van zijn familie min of meer op de adolescente Bernilo. Ze heeft voor dat Duitse verhaal, dat hier voor het eerst gedetailleerd verteld wordt, veel nieuwe bronnen aangeboord, waaronder familiepapieren van de Lippes. Kennelijk was een dergelijke speurtocht vol verrassingen pas mogelijk na de dood van de prins.

Het na de ineenstorting van het keizerrijk in 1918 op drift geraakte ‘adelsproletariaat’ had een diepe afschuw van alles waar de Republiek van Weimar voor stond: de ontreddering van het land, de vernederende vrede van Versailles en niet te vergeten de parlementaire democratie. Nog decennia later kon Bernhard lacherig verkondigen dat hij met democratie niet zoveel ophad. Dit ressentiment deelde de Duitse adel met Hitlers NSDAP die in maart 1933 de macht overnam. Hoe de oude elite van Hitlers bruine revolutie gebruik dacht te maken maar in feite zelf werd gebruikt, is al vaak verteld. Bernhard behoorde tot de zogenaamde Märzgefallene, degenen die zich na de machtsovername op het nippertje – vlak voor de ledenstop van 1 mei 1933 – bij de NSDAP meldden. Althans dat blijkt uit de ledenadministratie. Bernhard zelf heeft tot zijn laatste snik volgehouden dat hij nooit lid is geweest. Van der Zijl produceert nu, na de eerder door Gerard Aalders boven tafel gehaalde informatie, een door Bernhard ondertekende lidmaatschapskaart van de Deutsche Studentenschaft, waaruit ook zijn deelname aan SA en NSDAP blijkt. Na het jarenlange gekrakeel over al die hele of halve lidmaatschappen van Bernhard van NSDAP, SA en SS maakt dit boek duidelijk dat zowel zijn familie als zijn vriendenkring zich verdrong op Hitlers bandwagon en dat er geen reden is zijn houding en keuzes van de hunne te onderscheiden.

Anders dan zijn vader kreeg Bernhard geen traditionele militaire scholing. Zijn opleiding was juist modern en gericht op een toekomst in de diplomatie of het zakenleven. Toch waren uniformen deel van zijn leven, zoals vele familiefoto’s laten zien. Als klein jongetje droeg hij al de fraaiste huzarentenues. Het SA-uniform dat hij zich bij Hugo Boss in Berlijn liet aanmeten, sluit daarbij naadloos aan en ook dat van Franco’s Falange waarin hij zich vertoonde op het oudejaarsbal op paleis Noordeinde in 1936. Een grap, verklaarde hij later, maar ook in de verhoudingen van toen al niet getuigend van goede smaak en ook niet erg passend bij het thema van de avond: de 1001 nacht. Juliana verscheen als haremdame. Andermaal blijkt hoe vilein het uniformverbod na de Lockheed-affaire van 1976 is geweest: de zelfgecreëerde mythe werd daardoor in de kern geraakt.

Als Juliana in 1936 in het spel komt, valt er voor Van der Zijl veel minder nieuws te vertellen. Hier is het gras voor haar voeten weggemaaid door Fasseur. Bovendien kreeg zij geen toegang tot het Koninklijk Huisarchief. Dat het geen huwelijk was uit liefde, maar eerder wegens geld en status, vermoedden we al. Van der Zijl oppert zelfs dat Bernhards vrijage aanvankelijk bijna als grap moet worden opgevat. ‘Biesterfeld, reite für Deutschland!’, spoorde een kroegvriend hem aan. Het vervolg van het boek is wat eclectisch en fragmentarisch. Het gaat steeds minder over de man en steeds meer over de mythe, ruwweg tot en met de oorlog, met als slotsom dat Bernhard zich in elk interview verder vastpraatte. Aan de heetste hangijzers van de Bernhardlegende maakt Van der Zijl nauwelijks woorden vuil. Zo wordt de ‘stadhoudersbrief’ die hij volgens sommigen in april 1942 aan Hitler geschreven zou hebben, bij gebrek aan harde bewijzen alleen in het voorbijgaan besproken.

Van der Zijl sluit met haar benadering aan bij Stephan Malinowski, die de houding van de Duitse adel tussen Kaiser en Führer diepgaand heeft onderzocht en veel nadruk legt op de zijns inziens specifieke herinneringscultuur van de adel. Adellijke families kunnen hun geschiedenis vaak eeuwen terugvoeren. Soms is dat ook nodig zoals in de erfopvolgingsstrijd van de Lippes. Maar ze vertonen ook de hebbelijkheid met dat verleden selectief en creatief om te gaan. Malinowksi heeft dat gedemonstreerd aan de hand van de door de Pruisische adel gedomineerde aanslag op Hitler van Stauffenberg en de zijnen op 20 juli 1944, waarbij zich na de oorlog allerlei anderen hebben aangesloten in een omgekeerde guilt by association. Dergelijke medeplichtigheid achteraf is door Bernhard ook voor zijn broer Aschwin geclaimd.

In het getraumatiseerde verhaal van WO IIspeelt het spanningsveld tussen geschiedenis en herinnering een cruciale rol. Ook Bernhard raakte daarin verstrikt, waarbij zijn geval werd gecompliceerd door verandering van vaderland en loyaliteit. In het voetspoor van Malinowski gebruikt Van der Zijl voor hem het beeld van de tovenaarsleerling die krachten heeft opgeroepen die hij niet in toom kon houden.

Van der Zijl heeft voor dit boek gezocht naar een eigen vorm, waarbij het accent achtereenvolgens ligt op de familie, de man en ten slotte vooral de mythe. Ze beschouwt het ‘fenomeen Bernhard’ als een stuk onverwerkt Nederlands verleden en haar boek daarmee als een studie in Vergangenheitsbewältigung. Het moest ook voldoen aan de eisen van een historisch proefschrift. Het is de vraag of dat het verhaal ten goede is gekomen. Van der Zijl had niet de vrijheid die ze genoot bij het schrijven van haar grootste succes Sonny Boy. Als ze verwijst naar The Diana Chronicles van Tina Brown is dat misschien met enige jaloezie. Brown slaagde erin van een vergelijkbaar en stukgeschreven thema iets heel bijzonders te maken, mede door haar filmische presentatie en niet geremd door dat keurslijf van wetenschappelijkheid.

Van een biograaf verwacht je doorgaans een zekere empathie, maar die ontbreekt hier nagenoeg. Van der Zijl kan zich beter inleven in de tijd dan in de persoon. Bernhard kon het ook niet helpen, suggereert ze hooguit. Maar eigenlijk kan het haar allemaal niet zoveel schelen. Meewarig kijkt ze neer op het elfjarige jongetje dat Bernhard naar eigen zeggen altijd is gebleven. De man die bij Fasseur nog een ‘geboren womanizer’ heette, wordt hier neergezet als moederskindje. Nadat zij hem heeft geportretteerd als gevangene van zijn tijd, zijn milieu, zijn moeder en ten slotte van zijn eigen mythe, slaat Van der Zijl opgelucht het sprookjesboek dicht. Annejet heeft het voorlopig gehad met Bernilo.

Morgen in NRC Weekblad een interview met Annejet van der Zijl.