De eerste persoon in de politiek

Bij Hans van Mierlo hield het filosoferen nooit op. In 1966 zag hij het politieke systeem falen. Zijn gelijk heeft hij altijd bevestigd gezien.

‘Hans leeft vanaf nu in blessuretijd”, zeiden D66’ers toen Hans van Mierlo in 2000 een levertransplantatie had ondergaan. Hij heeft die blessuretijd al met al nog tien jaar weten op te rekken. Gisteren overleed boegbeeld en medeoprichter van D66, toen nog als D’66 geschreven, op 78-jarige leeftijd. Nog tien jaar van het leven genoten, want zoals Van Mierlo zelf vijf jaar na zijn transplantatie zei, op de manier zoals alleen hij het kon zeggen: „Dood zijn kun je nog zo lang, hè?”

Maar nu is hij dan toch echt zelf geschiedenis geworden: Henricus Antonius Franciscus Maria Oliva van Mierlo – Hafmo, zoals hij binnen zijn partij wel liefkozend werd genoemd, of gewoonweg Hans, want dan wist iedereen ook wel over wie het ging. Vele kwalificaties heeft hij tijdens zijn leven reeds gekregen: filosoof, bohémien, romanticus, redenaar, bon vivant, meester van de paradox, eeuwige twijfelaar en ja, natuurlijk ook nog politicus. Want bovenal was hij de politieke verpersoonlijking van de Nederlandse culturele revolutie in de jaren zestig die maar nooit echt een revolutie heeft willen worden. Nederland had immers zijn repressieve tolerantie, die er binnen korte tijd voor zorgde dat D66, en dus Van Mierlo, zelf onderdeel van het door hem verguisde systeem werd. Begonnen als criticus van de Staat, overleden als minister van Staat. Zelf zou hij het ongetwijfeld een paradox genoemd hebben.

De slechte werking van de democratie, daar kwam het altijd weer bij hem op neer. In het denken van Van Mierlo liep heel zijn leven één constante lijn: het ter discussie stellen van de vanzelfsprekendheid van de macht en het ontbreken van het zelfreinigend vermogen bij dezelfde macht. Macht waar hij en zijn partij enkele keren van mochten proeven, vaak zonder veel succes. Want na de hoogten die D66 bij de macht hadden gebracht volgden altijd weer de diepe dalen. Waarna Hans van Mierlo gelaten kon constateren dat de oude instincten weer hadden geprevaleerd.

De peinzende middendertiger, wandelend over een Amsterdamse gracht, weggedoken in zijn regenjas. Zo maakte het Nederland van zwart-wittelevisie met maar twee netten in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van februari 1967 kennis met Hans van Mierlo. Het was de eerste en tot nu toe beroemdste Nederlandse campagnespot. Daarin moest volgens reclamedeskundige Martin Veltman, D66’er van het eerste uur, het unique selling point van de nieuwe partij uiteengezet worden. En zo zien de kijkers het ietwat doorleefde gelaat en horen zij de warme stem met een licht zuidelijk accent spreken: „We waren ongerust. Over de politieke situatie in ons land. Over de verwarring en de ondoorzichtigheid. Over de tanende invloed van de kiezers. Over de ontoereikendheid van de verouderde politieke spelregels.”

Het Amsterdamse journalistieke milieu had Hans van Mierlo al in 1960 leren kennen. Daar meldde de zoon van een katholieke Bredase bankier, gevormd door de paters op het Canisiuscollege in Nijmegen, zich aanvankelijk bij het katholieke dagblad De Tijd, nadat hij eerst een studie rechten had gedaan in Nijmegen – onderbroken door avontuurlijke reizen naar Frankrijk en Spanje (havenarbeider, toneelspeler, houthakker). Het sollicitatiegesprek bij De Tijd verliep positief maar Van Mierlo werd desondanks direct doorverwezen naar de tegenoverliggende redactie van het liberale Algemeen Handelsblad, toen hij zei dat hij niet meer in God geloofde. Bij deze voorloper van NRC Handelsblad werd Van Mierlo redacteur van de opiniepagina.

Het was de tijd dat het gistte in Amsterdam. Provo tartte op straat het gezag. Teach-ins waarin over maatschappelijke vraagstukken werd gediscussieerd, waren een doorslaand succes. De roep om verandering was groot. Hans van Mierlo organiseerde in april 1966 voor zijn krant een rondetafelbijeenkomst met deskundigen over ‘gezag en publiek’. Het artikel erover zou uiteindelijk in drie delen verschijnen. Dezelfde maand maakte Van Mierlo deel uit van de zogenoemde groep van dertien – veelal journalisten en/of mensen die elkaar uit het café kenden. De groep kwam in het Amsterdamse hotel Krasnapolsky bijeen, met als bedoeling de onvrede te organiseren. Het volgens hen slechte functioneren van de democratie stond centraal. Er moest wat gebeuren; een beweging die zich als actiegroep ging opstellen of een politieke partij – ze kwamen er niet echt uit die eerste tijd.

De groep van dertien groeide uiteindelijk uit tot 36. Van Mierlo werd voorzitter. Hij had, zei hij, niet zo snel een smoes voorhanden om nee te zeggen. Maar volgens anderen was van meet af aan duidelijk dat hij de persoon was die de boodschap kon overbrengen. Dat bleek ook wel, toen besloten werd onder de naam Democraten 66 een politieke partij op te richten die moest meedoen aan de verkiezingen van 1967.

Met zeven zetels marcheerde Van Mierlo de Tweede Kamer binnen. Voor die tijd was het een aardverschuiving. De gevestigde politiek beschouwde de nieuwe partij als een indringer in haar systeem. „Een on-Nederlandse partij”, oordeelde de christen-democraat Barend Biesheuvel. De Boerenpartij van links, schamperden anderen, verwijzend naar de protestpartij van boer Hendrik Koekoek, die in die jaren ook aan een electorale opmars bezig was.

Toen hij eenmaal in het systeem zat, wilde de rest van dat systeem ook weten waar Van Mierlo politiek stond: „Met het pistool op de borst kies ik voor de PvdA”, gaf Van Mierlo na lang aandringen toe. Zijn voorkeur voor die partij en zijn goede contacten met Joop den Uyl legden de kiem voor de problemen die Van Mierlo enkele jaren later in zijn eigen partij zou krijgen. Hem werd solistisch gedrag verweten.

Terwijl D66 in 1973 met een zeer bescheiden equipe tot het kabinet-Den Uyl toetrad, werd Van Mierlo in de Tweede Kamerfractie als voorzitter afgezet. Hij belandde op een zijspoor. Het leiderschap van een groep mensen bleek voor hem als ‘ideeënman’ niet echt weggelegd. Zoals het fractielid Erik Visser destijds concludeerde: „Dat is de structurele spanning tussen een dynamisch leider en de natuurlijke traagheid van een organisatie.”

Van Mierlo vertrok naar de luwte. In 1977 stelde hij zich niet meer herkiesbaar. Samen met zijn vriend Marcel van Dam, net als hij lid van de herenclub waarin ook mensen als Harry Mulisch, Henk Hofland, Cees Nooteboom en Jeroen Henneman zaten, begon Van Mierlo het tv-programma De achterkant van het gelijk, waar vertegenwoordigers van een beroepsgroep via de socratische methode dilemma’s kregen voorgelegd.

In 1981 keerde hij verrassend terug in de politiek als minister van Defensie in het later als ‘ramp’ bestempelde kabinet Van Agt-Den Uyl, dat dan ook niet langer dan negen maanden zat. Van Mierlo raakte weer eens verstrikt in loyaliteiten. Tegelijk met de PvdA, de partij die volgens hem „genadebrood” had moeten eten, had hij het kabinet direct na de val willen verlaten, maar de meerderheid van zijn eigen partij wilde samen met het CDA een tijdelijk interim-kabinet vormen. Van Mierlo bleef op zijn post, maar weer waren er wonden.

Kort daarop zag hij, inmiddels lid van de Eerste Kamer, zijn partij wegkwijnen. De vraag was midden jaren tachtig eigenlijk alleen nog maar of D66 ten onder zou gaan aan een gebrek aan leden of een faillissement. Van Mierlo probeerde het nog één keer en kwam met iets wat op een nieuwe beginselverklaring leek: Een reden van bestaan. Het stuk werd razend enthousiast ontvangen, maar met de kanttekening dat Van Mierlo de leiding bij de uitvoering moest nemen. En dus werd hij in 1986, twintig jaar na zijn politieke debuut, opnieuw lijsttrekker.

Uit onderzoek komt steevast naar voren dat D66 onder het electoraat de grootste ‘second best’ is. Als ze niet op hun eigen partij zouden stemmen, zouden ze op D66 stemmen. „Houden de kiezers maar eens minder van D’66, maar stemmen ze meer op ons”, was de reactie van Van Mierlo.

Dat deden ze eindelijk in 1994, toen bij de verkiezingen het zetelaantal van de partij verdubbelde van 12 naar 24 en D66 de sleutel voor de macht in handen kreeg. Zonder de steun van die partij was nauwelijks een meerderheidskabinet te formeren. Zodoende kon Van Mierlo PvdA en VVD dwingen het zonder het CDA, maar met elkaar en D66 te proberen. Paars was geboren, de vanzelfsprekendheid van de macht – die van de christen-democraten – doorbroken. Of het was geworden wat hij zichzelf daarvan had voorgesteld? Veel meer dan dat de stembureaus een uur langer zouden openblijven had Paars niet aan staatkundige vernieuwing voortgebracht. Van Mierlo in 2001, toen het tweede paarse kabinet bijna ten einde was: „Er is onomstotelijk een weg ingeslagen. Daarop gaat een slak, maar hij gaat wel.”

Zelf werd hij in het eerste paarse kabinet onder leiding van PvdA-aanvoerder Wim Kok minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier. Een opmerkelijke keuze, omdat het meer voor de hand had gelegen dat Van Mierlo als minister van Binnenlandse Zaken eindelijk eens had kunnen gaan werken aan de door hem zo gewenste staatkundige vernieuwing. Met zijn bekende cirkelredeneringen betoogde Van Mierlo dat uitgerekend hij juist niet op dat departement moest gaan zitten, want dan zou hij veel te kwetsbaar zijn.

In 1998 besloot Van Mierlo zich niet meer herkiesbaar te stellen. Het leiderschap droeg hij over aan Els Borst. Vanaf dat moment ging hij verder als invloedrijk ‘geweten’ van D66. Samen in een kabinet met CDA en VVD? Het moest maar, gegeven de omstandigheden, zei hij in 2003. Waarna de partij gerust toetrad tot het tweede kabinet-Balkenende. Maar dat de kiezers van D66 hier niet zo voor geporteerd waren bleek drie jaar later, toen de partij bij de verkiezingen werd teruggebracht naar drie zetels. Inmiddels gaat het in de peilingen onder leiding van Alexander Pechtold weer een stuk beter. Zonder Van Mierlo kan het dus ook. Maar het is wel anders. De overeenkomst is de aantrekkingskracht van de leider die ver uitstijgt boven die van het partijprogramma. Van Mierlo had die ontwikkeling al in een vroeg stadium door.

De betekenis van Van Mierlo voor de Nederlandse politiek gaat veel verder dan die van D66. Hij heeft zijn gelijk bevestigd gezien over het falen van het systeem. Nieuwe ontwikkelingen steunden zijn analyse: individualisering en informatisering. Al begin jaren negentig, tien jaar voor Pim Fortuyn, was hij ervan overtuigd dat partijen steeds meer plaats zouden gaan maken voor personen. „Het gaat ook niet alleen om de standpunten van zo’n politicus, maar ook om de manier waarop hij of zij die heeft gepresenteerd. Dan kun je als kiezer zeggen: ik kies je want ik vertrouw je. Je bent eerlijk, je hebt hersens, je bent gevoelig. Zo ga je toch ook met je vrienden om? Het is bijna menselijk, de politiek wordt bijna menselijk”, zei hij.

In 2006 zei hij in een ontroerend televisieportret van Edmond Hofland en Hans Fels dat D66 „misschien wel veertig jaar te vroeg was begonnen”. Want nu zag je de „scherven op de grond” omdat „het geloof in de politiek weg is”. Om er bezorgd aan toe te voegen: „Een systeem dat echt niet meer werkt is als een vogel voor de poes.” Want mooi kon hij het altijd verwoorden. „Mensen meenemen in het avontuur van de redenering”, noemde Van Mierlo dat. Mee gingen zijn toehoorders bijna allemaal, om zich pas in tweede instantie af te vragen wát hij nu precies had gezegd.

Maar ook dat was Van Mierlo. Geen schrijver, een prater. Het allesomvattende boek waarin hij al zijn ideeën nog eens uiteenzet heeft hij nooit geschreven. De journalist in hem was geen schrijver. Dus zal de geschiedenis het moeten hebben van zijn toespraken en interviews. Van Mierlo dacht terwijl hij sprak. En het filosoferen hield bij hem nooit op. Want hij had nog zoveel te zeggen, omdat hij nog zoveel vond. Zoals het staat in zijn favoriete gedicht van Martinus Nijhof, Het kind en ik: „...Maar toen heeft het geschreven/ zonder haast en zonder schroom/ al wat ik van mijn leven/ nog ooit te schrijven droom.”