Commissaris trekt zich bonusdebat aan

Commissarissen zijn gevoelig voor de maatschappelijke kritiek op de hoge bonussen voor topmanagers. Bijna de helft van de toezichthouders bij ondernemingen en in de semipublieke sector vindt dat zij zich bij het vaststellen van variabele beloningen meer moeten richten op het maatschappelijke ongenoegen daarover.

Dat blijkt uit een enquête van onderzoekers Mijntje Lückerath en Auke de Bos van de Erasmus Universiteit Rotterdam onder bijna honderd toezichthouders bij beursgenoteerde en familiebedrijven en maatschappelijke organisaties als ziekenhuizen en woningcorporaties. Vooral bij maatschappelijke organisaties willen de commissarissen meer luisteren naar de samenleving. In het bedrijfsleven wil eenderde bij het vaststellen van bonussen meer rekening houden met het maatschappelijk ongenoegen.

De commissarissen zijn verdeeld of de overheid de hoogte van beloningen aan banden moet leggen. Van de ondervraagden zegt 47 procent overheidsbemoeienis met de variabele beloning van bestuurders tamelijk of zeer onwenselijk te vinden, maar 45 procent vindt dat juist wel wenselijk. Wettelijk ingrijpen in de vaste beloning van bestuurders vindt 39 procent tamelijk of zeer wenselijk, maar 49 procent vindt dat juist geen goed idee.

Een ruime meerderheid van de ondervraagden (64 procent) vindt dat de overheid een einde moet maken aan de zogeheten Balkenendenorm, die de beloning in de (semi)publieke sector maximeert op het inkomen van de minister-president. De norm geeft volgens hen alleen maar rompslomp en werkt in de praktijk niet. Het verzet doet zich voor bij zowel de toezichthouders in het bedrijfsleven (73 procent) als die in de semipublieke sector (55 procent).