Blozen bij de hoeren, jippie bij de koffie

In Ilja Pfeijffers verzameling van honderd ultrakorte romans komt zijn zwarte humor een paar keer goed uit de verf. Toch had het project baat gehad bij wat zelfopgelegde beperking.

Ilja Leonard Pfeijffer: Harde feiten. 100 romans. De Arbeiderspers, 172 blz. € 17,95

‘For sale: baby shoes, never worn.’ Hemingway’s legendarische ‘roman van zes woorden’ heeft veel navolging gekregen. De laatste jaren is er zelfs een ware zeswoordenhype aan de gang: literaire blogs en kranten (waaronder deze krant, en de Engelse Guardian) organiseerden competities en op Kluuns Nightwriters-avonden dragen auteurs en amateurs hun zeswoordenromans voor aan het uitgaanspubliek. Kennelijk smachten mensen naar zelfopgelegde beperkingen. Zie Twitter: een simpele limiet van 140 tekens op de lengte van een tekstbericht was voldoende om de hele wereld aan de tweets te krijgen.

Ilja Leonard Pfeijffers nieuwe boek Harde feiten, een bundel van honderd ultrakorte romans van maximaal vijfhonderd woorden, past dus helemaal in de tijdsgeest. Pfeijffers limiet ligt weliswaar ruim boven de zes woorden, maar ook één of twee bladzijden is nog steeds bijzonder weinig om een heel verhaal, kop, staart en intrige, in neer te zetten. Het zijn stilistische vingeroefeningen waar Pfeijffer zich graag aan waagt. De laatste tijd stortte de dichter zich van het ene project in het andere: nog maar een paar maanden geleden verscheen zijn fietsboek over zijn tocht naar Rome, daarnaast waren er verschillende poëziebloemlezingen, een Italiaans toneelstuk en liedteksten voor de nieuwe cd van Ellen ten Damme.

Met al die publicaties dreigt er Pfeijffer-moeheid, en Harde feiten zal daar weinig aan veranderen. Want de eerste vijftig van zijn honderd miniromans zijn maar moeilijk door te komen. De zinnen willen maar niet beeldend worden, het absurdisme is gemakzuchtig en de clous zijn flauw of gezocht. Veel te veel verhalen zijn geschreven in dezelfde pedante studentikoze toon. Zoals de titelroman van de bundel, kort genoeg om hier even in zijn geheel te citeren:

‘Dat je dan zo zit in je illegale blouse met je postcoïtale bekje en dat iemand dat dan ook zegt. „Wat zit je daar nou een beetje lekker te zitten met je feestblouse en je smurriesmoel.” En dat je dan ook zo’n telefoon hebt. Met zo’n ringtone. En dat die dan ook gaat en dan neem je op en dan zeg je: „Ik ook van jou, honneponnetje.” En dat je dan ook vrienden kwijtraakt en zo, omdat ze er genoeg van hebben. „We hebben er onze buikjes schijt van vol,” zeggen ze dan. „Geef onze portie maar aan fikkie.” Daar zit je dan.’

Natuurlijk zit er dubbelheid in deze monoloog, die zegt meer over de verteller dan over het object van zijn verbale agressie, maar na een stuk of tien van dit soort teksten begint het toch te vervelen. Het project wekt gaandeweg de indruk dat Pfeijffer elke willekeurige ingeving aan het publiek wil openbaren, en hoognodig eens aan wat zelfopgelegde beperking moet doen, zoals een limiet op publicaties .

Maar na een slechte eerste helft weet Harde feiten in de laatste vijftig romans gelukkig wél te overtuigen, met sfeervolle stukken als ‘Levitan’, psychologische tekeningen als ‘Het nieuwe leven van Miss Brixton’, suggestieve thrillers als ‘Nonna Pileri en de toekomst van het dorp’, Oosterse filosofie in ‘Hoe de oude meester Renku bamboe brak’ en de hilarische nationaal-socialistische porno van ‘Politiek’. De verschillende genres en vertelstijlen wisselen elkaar in de tweede helft op een prettige manier af: mythische vertellingen staan naast sciencefiction, wrange relatieschetsen naast moppen (komt Einstein bij de hemelpoort…), ik-personen naast alwetende vertellers. Én er is een heuse zeswoordenroman: ‘Gewoon. Maandag. Lekker treurig. Verder niets.’

Pfeijffers zwarte humor komt een paar keer goed uit de verf, in het sadistische kerstverhaal ‘Zes duiten’, of het tragikomische ‘Lama’: ‘Het 13-jarige meisje bleek het zoveelste slachtoffer van een naïef idee over conceptie. Zij meende dat zij zwanger was geworden toen zij op de Adenauerplatz door een duif was bevuild.’ Af en toe wordt het wel erg melig, of hebben de vertelstemmen al te opzichtig herhaalde stopzinnetjes zoals ‘daar hoor je ook nooit iets over’, en dreigt het gevaar van cabareteske typetjes.

Harde feiten weet zich dan ook maar deels te onderscheiden van de gangbare bundels korte verhalen van krantencolumnisten en anekdoteschrijvers. Er zijn nét genoeg verhalen die iets van de allure van een ‘grote roman’ in zich dragen. Het loont de moeite om die diverse keren te lezen, want dan wordt er in één of twee bladzijden een hele belevingswereld opengetrokken waarbij de details inderdaad boekdelen spreken, of staan er lyrische opsommingen vol persoonlijkheid: ‘Zij had eerder al andere dingen gedaan die mij bekoorden, zoals het – die, motherfuckers! – doodschieten van poffertjes, tieten laten zien voor vijf euro, een bandietennaam voor mij verzinnen en drie voor haarzelf, huilen op mijn bank, blozen bij de hoeren, jippie zeggen bij de koffie, wondere nachten, nachten waarin ze zei dat het zonde was om te slapen, alle kleine dingen herinneren die belangrijk zijn en alle grote vergeten, woorden als yep en idem, andere mooie vrouwen bambi noemen en willen zoenen op de wc, „en dan ook doen” zeggen en dan ook doen.’

Het gebrek aan balans in Harde feiten is vooral te wijten aan de zeer ongelukkige keuze om de verhalen alfabetisch te ordenen (waarbij overigens alle titels die beginnen met ‘De’ onder de d staan). Zo is een willekeurige volgorde ontstaan, terwijl juist een bundel met zulke gecomprimeerde teksten, die sowieso al aardig wat inspanning vraagt van de lezer, een uitgekiende afwisseling nodig heeft van toon en thema. Nu staan er in de eerste helft te veel teksten die op elkaar lijken en bovendien wilde het toeval dat de meeste zwakke broeders titels dragen met een beginletter tussen de a en de h (met bovengemiddeld veel d’s). Domme pech, maar toch vooral het gevolg van het simpele feit dat er te veel zwakke verhalen stonden. Volgende keer dus toch maar wat meer zelfbeperking.