Beland in mijn eigen roman

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Deze keer beklimt hij een minaret in de stad Adana. Aflevering 6.

Een jaar geleden bezocht ik Forward Operating Base Warhorse in Irak. Daar bevond zich een massagesalon. De masseuses aldaar, die alle drie uit de Turkse stad Adana kwamen, boden, zo was mij verteld, een ‘happy ending’ aan, oftewel manuele bevrediging die stopt zodra het orgasme is bereikt.

Ik liet mij masseren, maar geen happy ending. Later vernam ik uit betrouwbare bron dat de commandant de salon had gesloten omdat er wel degelijk happy endings werden aangeboden.

In Adana, een grote, vrij smerige stad aan de Middellandse Zee, verwachtte ik het erotisch centrum van Turkije aan te treffen.

Een man die bijna 40 is, dient zijn geluk te zoeken in de armen van licht verlopen vrouwen.

Adana biedt een overvloed aan licht verlopen vrouwen, maar nergens geluk.

Wel vind ik de grootste moskee van Turkije, nieuw en helemaal leeg. De portier biedt een bezoek aan een van de minaretten aan voor tien lira per persoon.

Er gaat een kleine lift naar boven.

Het uitzicht is indrukwekkend maar het waait zo hard dat de minaret heen en weer zwaait en ik het gevoel heb dat Adana op het punt staat getroffen te worden door een aardbeving.

Later op de avond zit ik samen met mijn vertaalster in een kunstenaarscafé waar geen alcohol wordt geschonken. Je kan er wel leren beeldhouwen.

Mijn vertaalster zegt: „Er is geen discriminatie in Turkije, want volgens de islam zijn alle mensen gelijk voor God.”

Ik maak een fotootje van haar, we zitten onder een sinaasappelboom.

De vertaalster zegt: „Verwijder die foto.”

Ik sputter tegen. Waarop zij zegt: „Je bent een verachtelijk wezen. Sinds de ezel in Ankara vertrouw ik je niet meer.”

In Ankara hadden wij een industrieel museum bezocht waar ook een antieken speelgoedezel stond waarop bezoekers mochten gaan zitten. Ik had tegen de vertaalster gezegd: „Ga even op dat ezeltje zitten, dan maak ik een foto.”

„Je bent een groot schrijver, gedraag je dan ook als een groot schrijver”, zegt de vertaalster in het kunstenaarscafé.

Hoe grote schrijvers zich in hun vrije tijd gedragen, weet ik niet.

Eenmaal in het hotel zegt de vertaalster tegen me: „Ik heb je beledigd. Nu moet je mij beledigen. Scheld me uit. Je bent toch goed met woorden.”

Deze reis heb ik het gevoel in een van mijn romans te zijn beland. Ik weet niet of dat zaligmakend is. Eerder een teken dat het einde nadert.

(wordt vervolgd)