Architectuur voorbij de crisis

Moet de architect zich bezighouden met visionaire projecten, of juist met het alledaagse? De crisis is ook een crisis in de architectuur. „We moeten ophouden met het verheerlijken van de instabiliteit van de moderne wereld.”

‘Nee, het gaat niet goed”, zegt Ruurd Roorda van Kingma Roorda Architecten in hun kantoor in de schaduw van het voormalige postkantoor in Rotterdam. „Het is misschien niet verstandig om te zeggen, maar het is nu eenmaal zo.” Lege stoelen in zijn kantoor laten zien wat hij bedoelt. „Twee jaar geleden telde ons bureau tien medewerkers. Nu nog maar de helft.”

De recessie die volgde op de kredietcrisis heeft architectenbureaus hard getroffen. De bouw is ingestort – kantoren worden bijna niet meer gebouwd en de woningbouw nam in 2009 met een kwart af – en dus krijgen architecten veel minder opdrachten. Veel bureaus zijn vorig jaar in omvang gehalveerd, verschillende gingen failliet.

Maar de recessie heeft niet alleen economische gevolgen voor architecten, ook de architectuur zelf zal van karakter veranderen. Hoe? Betekent de crisis een einde aan de bloeitijd van de Nederlandse architectuur? Wordt de architectuur soberder en eenvoudiger? Luidt de crisis het einde in van de iconen, de dure gebouwen met een unieke, vaak spectaculaire vorm die voor en na de laatste eeuwwisseling overal op de wereld in grote aantallen zijn gebouwd? En moet de architectuur het straks, uit zuinigheidsoverwegingen, weer stellen zonder de ornamenten waarmee ze de laatste jaren steeds meer werden getooid?

Volgens Roorda is de financiële crisis in ieder geval ook een crisis in de architectuur. Er zal dan ook beslist iets veranderen. „Architectuur is in het begin van de 21ste eeuw spektakel en bluf geworden”, zegt hij. „Dat zie je vooral aan architectuurtijdschriften als Mark en A10. Die staan vol met van die wiebelende, blobbende torens, de een nog hoger dan de andere. Of neem de ontwerpen die je krijgt te zien als je op internet zoekt onder Dubai, de stad waar de bouwzeepbel vorig jaar explodeerde. Alle gebouwen daar getuigen van een obsessie van architecten met de buitenkant.”

Die obsessie is steeds groter geworden sinds het succes van het Guggenheim Bilbao van Frank Gehry in 1997. Sindsdien wilde elke stad, elke oliesjeik en elke grote ondernemer een icoon als beeldmerk. „Architectuur is daardoor ook in Nederland steeds wilder en steeds extremer geworden. Architecten verzinnen de raarste vormen om elkaar te overtreffen en aandacht te trekken.”

Voorbeelden wil Roorda niet noemen, maar iedereen die wel eens over de Amsterdamse ringweg langs de Zuidas rijdt, kent de wufte kantoor- en woontorens. De opvallendste is The Rock van Erick van Egeraat, met zijn rotsachtige bovenstuk op een glazen onderstel. „Zulke torens leveren geen aangename stad op”, vindt Roorda. „Dubai is helemaal geen fijne wereld. Al die torens staan er als losse objecten elkaar in de hitte te overschreeuwen. Voor stedelijk leven moet je in de auto stappen.”

Roorda vergelijkt de blufarchitectuur met Hummers en andere semi-militaire auto’s die niet alleen in de Verenigde Staten populair waren. „Beide zijn egocentrisch, intimiderend, arrogant”, zegt hij. „En energieverslindend. Maar de crisis heeft er voor gezorgd dat de Hummer onlangs uit productie werd genomen. Nu de blufarchitectuur nog.”

Roorda verwacht dat de crisis zal leiden tot een hernieuwde aandacht van architecten voor de lange termijn. „We moeten streven naar een architectuur met een zekere tijdloosheid, dat wil zeggen met goede ruimtes en met goed licht. Architectuur ook die universeel begrijpelijk en bruikbaar is. En architectuur moet andere architectuur niet wegdrukken, zoals in Dubai, maar rekening houden met de omgeving. Daar is een andere werkwijze voor nodig. We moeten meer de tijd nemen om goed na te denken. Een soort ‘slow architecture’, ja.”

De Waterwijk in Zierikzee, met grachtenhuizen langs een gegraven water, is een recent voorbeeld van het streven van Kingma Roorda architecten naar ‘tijdloze’ architectuur. Met zijn individuele gevels in kalme wit- en grijstinten doet het wijkje denken aan een gracht in een oude Nederlandse binnenstad, maar dan wel met strakke, abstracte versies van traditionele grachtenpanden.

Anders dan Roorda gelooft Erick van Egeraat niet dat de crisis het einde betekent van ‘iconen’. „Dan zou ik mijn winkel wel kunnen sluiten, niet?” zegt Van Egeraar lacherig in zijn kantoor in Rotterdam. Van Egeraat is namelijk gespecialiseerd in ‘iconen’. In het eerste decennium van de twintigste eeuw had Van Egeraat veel succes met zijn neobarokke architectuur. Zijn sculpturale gebouwen verschenen in Rusland, Hongarije, Polen, Italië, Groot-Brittannië en ook Nederland, waar hij The Rock bouwde, de eerste echte icoon op de Zuidas. Ondanks zijn succes werd Van Egeraat een van de eerste slachtoffers van de crisis in de architectuur en moest hij zijn zaak inderdaad bijna sluiten. In het voorjaar van 2009 ging zijn bureau, met vestigingen in Rotterdam, Boedapest, Londen, Moskou en Praag, failliet. Maar als Designed by Erick van Egeraat maakte het een doorstart.

Er zal altijd behoefte bestaan aan gezichtsbepalende gebouwen, gelooft Van Egeraat. Die behoefte bestaat immers als zolang architectuur bestaat en heeft vele economische crises doorstaan. Hij gelooft zelfs dat iconen een grote toekomst tegemoet gaan, door de eisen die de mode van duurzaamheid stelt. „Duurzaamheid speelt, mede dank zij de klimaatcrisis, een steeds belangrijkere rol in de architectuur”, zegt Van Egeraat. „Meestal blijft duurzaamheid beperkt tot techniek, zoals slimme klimaatneutrale verwarming en koeling. Maar voor mij zit duurzaamheid vooral in esthetiek.” En dan komen iconen juist goed van pas. Van architectuur met een eigen karakter gaan mensen houden, daar raken ze aan gehecht, is Van Egeraats overtuiging. En geliefde gebouwen worden niet zo gauw veranderd of afgebroken en zijn dus in esthetisch opzicht duurzamer.

Van Egeraat gelooft ook niet dat gebouwen door de crisis goedkoper en dus soberder zullen worden. „Ik denk dat opdrachtgevers nu wel doorhebben dat duurzaamheid ook schuilt in goede, dure materialen. Een mooi gedetailleerd interieur met natuursteen en dergelijke gaat tientallen jaren mee. Dat verander je niet zo gauw, want daar is geen enkele reden toe.”

Joris Molenaar gelooft evenmin dat de crisis zal leiden tot een soberder of armoedigere architectuur. En ook niet tot de teloorgang van de nieuwe ornamentiek in de Nederlandse architectuur waarin zijn bureau, Molenaar en Van Winden Architecten, een pioniersrol speelt. Een groot deel van de twintigste eeuw waren ornamenten taboe voor veel moderne architecten, maar mede dank zij Joris Molenaar beleefde het ornament een sterke comeback in het begin van de 21ste eeuw.

„Misschien wordt het iets moeilijker om rijke ornamenten voor elkaar te krijgen”, zegt hij op zijn bureau in Delft. „Het is bij ontwikkelaars en corporaties tenslotte een Hollandse reflex om met zuinigheid te reageren op een crisis. Maar ik denk dat opdrachtgevers na de herwonnen aandacht voor ambacht en detail in gebouwen, wel de waarde van ornamentiek zullen blijven inzien. Ze zullen toch door de crisis nog beter hun best moeten doen om kopers te verleiden. En ornamenten kunnen daar een rol bij spelen. Zo ging het tijdens de vorige grote crisis in de jaren dertig ook. Toen is er veel architectuur met mooie ambachtelijke details tot stand gekomen. Die is nog steeds geliefd: jaren-dertighuizen, oud of namaak, zijn populair.”

Wel is Molenaar ervan overtuigd dat de crisis zal leiden tot een ander soort opdrachten voor architectenbureaus. „Het wordt nooit meer zoals het was, om Den Uyl maar eens te parafraseren”, zegt hij. De tijd van de grootschalige woningbouw in polders nadert haar einde. Het bouwen in binnensteden wordt belangrijker: het kabinet-Balkenende IV bepaalde in de ‘structuurvisie’ Randstad 2040 al voor de crisis dat het merendeel van de nieuwbouw in bestaande steden moet plaatsvinden. „We zullen daarom meer opdrachten voor kleinschalige projecten krijgen”, zegt Molenaar. „Ik merk dat nu al. We zijn meer bezig met kleine invullingen in bestaande steden en cultuurhistorische omgevingen.” Er zal ook minder gauw worden overgegaan tot sloop van gebouwen. „Het zal in de nabije toekomst ook vaker gaan om hergebruik van bestaande gebouwen, om restauraties en herbestemmingen.”

Dit betekent een grote ommekeer in de Nederlandse bouw, zegt Molenaar. Na de Tweede Wereldoorlog werd de woningbouw in Nederland grootschalig, voornamelijk in uitbreidingswijken, zegt hij. „Tijdens de wederopbouw werd een kolossale woningbouwmachine op poten gezet om de woningnood op te lossen. Die was gespecialiseerd in industriële, seriematige massaproductie. Ook toen de woningbouwverenigingen vijftien jaar geleden werden verzelfstandigd en commerciële bouwers hun rol overnamen, bleef die machine bestaan. Ook projectontwikkelaars die de vinexwijken hebben gebouwd, hebben weer woningen in grote aantallen buiten de steden neergezet. Het Wilde Wonen, woningbouw in opdracht van particulieren, stelt nog steeds niet veel voor in Nederland. Maar dat wordt in de toekomst anders. Ik denk dat de crisis nu de grote correctie brengt: het einde van de Nederlandse grootschalige woningbouwmachine.”

Molenaar verwacht ook dat ‘consumenten’ nog meer zullen worden betrokken bij de het ontwerpen van woningen en andere gebouwen. De trend om meer naar bewoners en kopers te luisteren zal nog sterker worden. In de overtuiging dat veel consumenten de voorkeur geven aan traditionele architectuur zijn de commerciële bouwers verantwoordelijk voor de recente opkomst van het neotraditionalisme in Nederland. Maar daar blijft het nu niet bij, gelooft Molenaar. „Wie nu nog iets bouwt, wil er zeker van zijn dat hij het verkoopt. Dat betekent dat hij nog beter zal luisteren naar mogelijke kopers. Die gaan meebeslissen over bijvoorbeeld parkeeroplossingen en het karakter van de woningen. Ook dat merken we nu al. Schetsontwerpen worden nu zelfs voorgelegd aan mogelijke koperspanels voor commentaar.”

Molenaar is daar niet bang voor. Als architect die niet wars is van traditionalisme, is hij zelfs optimistisch over de toekomst van de architectuur. Toch stelt hij net als Roorda vast dat er een crisis in de architectuur is – maar die staat los van de economische crisis. „Al voor 2008 verbaasde ik me vaak over de visionaire rol die veel architecten zich steeds weer opnieuw aanmeten. Ze komen met wereldbestormende ontwerpen die oplossingen moeten brengen voor de ecologische, klimatologische en al die andere crises die de wereld nu treffen. Het Nederlands Architectuurinstituut en het Stimuleringsfonds voor Architectuur sponsoreren dat steeds maar weer. Dat is niet alleen een vlucht naar voren, maar ook een grote zelfoverschatting. Het ligt niet in het vermogen van de architectuur om de wereldproblemen op te lossen.”

Misschien dat de crisis nu juist zorgt voor een loutering en visionaire architecten weer bij zinnen brengt, hoopt hij. „We moeten minder pretenties hebben en ons toeleggen op waar we verantwoordelijk voor zijn: het maken van aangename gebouwen en buurten waar mensen graag verblijven. Daarvoor moet je je verplaatsen in mensen en nagaan hoe ze bijvoorbeeld een plein als verblijfsruimte ervaren. We moeten ons niet bezighouden met visionaire projecten, maar met het alledaagse.”

Ruurd Roorda hoopt op een soortgelijke bezinning van architecten. „Jarenlang hebben architecten in het voetspoor van Rem Koolhaas de lof gezongen van de explosieve staat waarin de globaliserende wereld zich bevond. Ze vonden het prachtig, het dansen op de vulkaan. Maar nu de crisis zo hard heeft toegeslagen, is het hoog tijd dat we ophouden met het verheerlijken van de instabiliteit van de moderne wereld. Ik houd van dansen, maar niet op een vulkaan.”