Vertraagde puberteit door dioxine

Bijna twintig jaar werden kinderen gevolgd om het effect van dioxinen te meten. Kleine verschillen blijken al duidelijke effecten te hebben.

Dioxine berokkent twintig jaar na het aanscherpen van milieuwetgeving nog steeds gezondheidsschade bij jongeren. Dat blijkt uit onderzoek van Marike Leijs. Ze promoveert 17 maart aan de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek van Leijs en haar collega’s is uniek omdat ze de ontwikkeling van de kinderen lang volgden: van de geboorte tot de leeftijd van 14 tot 19 jaar. Ook blijkt uit haar onderzoek dat vlamvertragende stoffen polygebromeerde difenylethers (PBDE’s, geen dioxinen) ook in kleine hoeveelheden de gezondheid van jongeren beïnvloeden.

Leijs en haar collega-onderzoekers vonden effecten van de dioxinen die de kinderen voor en vlak na de geboorte binnenkregen, zoals een vertraagde ontwikkeling van de borsten bij meisjes.

Ze vonden óók effecten van de hoeveelheid dioxinen, PCB’s en PBDE’s die kinderen in de 14 tot 19 jaar daarna binnen kregen. De pubers en jongvolwassenen bleken gemiddeld 2,2 picogram dioxines en een zelfde hoeveelheid PCB’s per gram vet in hun bloed te hebben. Dat is relatief weinig, toch veranderden deze hoeveelheid onder andere de suikerhuishouding. Leijs: „Pubers met relatief veel dioxinen in hun bloed, hadden voor het ontbijt hogere suikerspiegels dan jongeren met minder dioxine.”

Verder gaven dioxinen, PCB’s en PDBE’s veranderingen in het immuunsysteem, bloed en longfunctie en zorgden PCB’s en PDBE’s voor teveel schildklierhormoon.

Alle gevonden verschillen zijn volgens Leijs klein. „De kinderen zijn niet ziek. Maar het is verontrustend dat de effecten van dioxinen 14 tot 19 jaar na de geboorte nog meetbaar zijn én dat dioxinen, PCB’s en PDBE’s ook bij de gevonden zeer lage hoeveelheden de werking van het lichaam veranderen.”

Janna Koppe, de kinderarts die dit onderzoek eind jaren tachtig opzette, zegt: „Ik maak me zorgen over de toekomst van deze kinderen, of ze bijvoorbeeld niet een verhoogde kans hebben om suikerziekte te krijgen.” Ze wil de norm voor de hoeveelheid dioxinen en PCBD’s die ons voedsel mag bevatten verlagen.

Greet Schoeters, programmamanager milieu en gezondheid bij het Belgische onderzoeksinstituut Vito is ook bezorgd: „De hoeveelheid dioxinen die wij dagelijks binnenkrijgen, zit erg dicht bij die norm. Een deel van de bevolking krijgt zelfs meer binnen -afhankelijk van wat ze eten. Er zijn geen veiligheidsmarges.”

Leijs onderzocht 33 kinderen die tussen 1987 en 1991 geboren werden in de regio Amsterdam en Zaandam. Destijds stonden er in Nederland meerdere vuilverbrandingsovens die grote hoeveelheden dioxine uitstootten, ook in Amsterdam. De dioxinen kwam via de lucht in gras terecht en zo in koeien en hun vlees en melk. Ook moedermelk bleek vergiftigd met dioxinen.

Rond 1990 werden filters geïnstalleerd die de dioxine grotendeels tegenhouden. Dioxinen blijven echter jarenlang in het milieu rondzwerven en hopen via het eten van dierlijke vettenop in menselijk vetweefsel.

Leijs en haar collega’s maten allereerst hoeveel dioxine in moedermelk zat. In de jaren daarna maten de onderzoekers regelmatig het dioxinegehalte in het bloed van de kinderen zelf. Ook maten ze de hoeveelheid polychloorbifenylen (PCB’S), die sterk lijken op dioxine, en PBDE’s.