Spijt van de spuit

Ook de biologische landbouw gebruikt bestrijdingsmiddelen.

„Het is heel moeilijk om je rug recht te houden.”

Juten zakken met duizenden pootaardappelen hangen strak in het gelid aan grote metalen rekken.

Boer Kees van Beek heeft ze binnen in een half open loods laten zetten, omdat er nachtvorst is. Het liefst zet hij ze in de zon. De aardappelen kunnen dan optimaal voorkiemen. „Ze moeten gedrongen paarse punten krijgen en dan gaan ze de eerste week van april de grond in”, zegt Van Beek.

Dit is het begin van zijn tandeloze strijd tegen Phytophtora, de gevreesde aardappelziekte. Tandeloos omdat Van Beek, van het biologische landbouwbedrijf Biotrio in Langeweg bij Moerdijk, het liefst geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. Zelfs niet een van de vijftien middelen die in de biologische landbouw in Nederland zijn toegestaan. „Een gifspuit hoort niet op biologische akkers”, vindt akkerbouwer Van Beek, ook al zijn de meeste van de toegestane middelen van natuurlijke oorsprong.

Het is een gevoelig onderwerp, bestrijdingsmiddelen in de biologische landbouw. Veel consumenten weten niet dat ze worden toegepast, boeren zijn terughoudend, en de middelen zijn niet helemaal onschuldig.

Het zijn er wel minder dan in de gangbare landbouw. Daar kan een boer beschikken over een arsenaal van 1.500 toegestane bestrijdingsmiddelen. De biologische landbouw moet het doen met 15: insecten verjagende stoffen, natuurlijke gifstoffen uit planten of bacteriën en parasitaire aaltjes die insectenlarven of naaktslakken bestrijden. Helemaal natuurlijk, deze biologische bestrijdingsmiddelen, maar niet helemaal onschadelijk. Neem bijvoorbeeld Spruzit, een middel met natuurlijke insecticiden afkomstig uit chrysanten. „Een paardenmiddel”, zegt biologisch aspergeteler Gaveshi uit het Brabantse Groeningen bij Boxmeer. Hij gebruikte het laatst in een veld met jonge aanplant. Tegen de larven van aspergekevertjes. Maar het doodt ook andere, nuttige, insecten zoals bijen en hommels. „Ik heb een tijdje behoorlijk onder financiële druk gestaan en dan maak je andere keuzes.”

Intern is de biologische sector verdeeld of er wel bestrijdingsmiddelen mogen worden ingezet – ze zijn weliswaar ongevaarlijk voor consumenten, maar niet voor het milieu. Ongeveer de helft van de 2.900 biologische boeren in Nederland (er zijn in totaal 70.000 landbouwbedrijven) gebruikt ze soms. De meesten met tegenzin. „Het is een terechte discussie”, zegt Wijnand Sukkel, werkzaam bij Praktijkonderzoek Plant & Omgeving in Lelystad. „Het gaat immers om de vraag: is de biologische voeding wel zo heilig als ze doet voorkomen?”

Het grootste deel van de biologische telers is zich ervan bewust dat gebruik van bestrijdingsmiddelen imagoschade aan de biologische landbouw geeft, zegt hij. Maar het komt soms ook vanuit henzelf, als principekwestie. „Er zijn er die nooit gebruiken, maar ook boeren die alles gebruiken wat is toegelaten.”

Sukkel heeft een paar jaar geleden het bestrijdingsmiddelengebruik van een honderdtal biologische landbouwbedrijven in Nederland in kaart gebracht. Het meestgebruikte middel is Bacillus thuringiensis, een bodembacterie die wordt ingezet tegen rupsenvraat. De werkzame stof heeft nauwelijks nadelige gevolgen en breekt snel af. Maar zelfs voor dit middel lopen biologische boeren niet al te warm. Alleen als het echt nodig is spuiten ze, zegt Sukkel. „Op dat moment is het kiezen: of het gewas op laten eten door de rupsen of nog wat oogsten.”

De biologische sector wil op termijn eigenlijk zo veel mogelijk van gewasbeschermingsmiddelen af, zegt de onderzoeker, die het gebruik ervan „een tijdelijke noodoplossing” noemt. „Bestrijdingsmiddelen, ook de biologische, worden gezien als een end of pipe solution. Preventie en natuurlijke beheersing hebben de voorkeur. Dat is de basis van de biologische landbouw.”

Het kan ook zonder, zegt akkerbouwer Van Beek, met hulp van de consument. Die zou moeten eisen dat biologische voeding geheel onbespoten geproduceerd wordt. „De verantwoordelijkheid ligt nu geheel bij ons als primaire producent, maar het is heel moeilijk om de rug recht te houden als je weet dat je aan het eind van de maand weer je salarissen, rente en aflossingen moet betalen. De consument eist kwaliteit en daar is zonder bestrijdingsmiddelen verdomd lastig aan te voldoen. Als iedereen het zonder die middelen wil doen, dan zullen consumenten moeten accepteren dat bepaalde groenten en fruit schaarser en duurder worden.”

Maar ook Van Beek moet toegeven dat hij zelf het afgelopen jaar één keer de insecticide Tracer heeft gebruikt tegen trips, een soort vliegjes, in witte kool. Van Beek liet zich overhalen door de afnemer van de kool. Die wilde onaangetaste kool, want kolen die helemaal bruin zijn geworden, accepteert de consument niet.

Maar hij heeft er nu „spijt” van. De toegestane middelen, hoe biologisch van oorsprong ook, blijken toch schadelijk voor het bodemleven. Komend seizoen wil Van Beek de kool beter bemesten en het gewas zo „wat meer reisgeld meegeven”. Dan kan de kool misschien vóór de trips uitgroeien en blijft de schade beperkt. Ook hoopt hij een koolras te vinden dat minder gevoelig is voor de insecten.

De grootste vijand van Van Beek blijft Phytophtora in aardappelen. Daar is geen biologisch bestrijdingsmiddel tegen dat in Nederland is toegelaten. Buitenlandse biologische aardappelboeren mogen daar wel kopersulfaat tegen inzetten.

Van Beek probeert Phytophtora op andere manieren te slim af zijn. Bijvoorbeeld door gewasrotatie, waardoor ziekten niet in de grond blijven zitten. Of door aardappelen vroeg te poten, zodat de knollen al groot zijn voordat de ziekte toeslaat.

De laatste twee jaar is het bedrijf van Van Beek „redelijk verschoond gebleven”. Phytophtora bleef langer weg, waardoor de knollen volgroeid konden worden geoogst. Maar drie jaar geleden raakte de aardappelziekte het bedrijf wel flink en moest Van Beek zijn planten voortijdig doodbranden. Hij oogstte toen 15 ton aardappelen in plaats van de gebruikelijke 35 tot 40 ton. „Echt dramatisch.”