Oorzaak van misbruik is het celibaat

De rooms-katholieke kerk moet niet alleen open zijn over misbruik door geestelijken, ook over de onmogelijkheid van het celibaat, meent Hans Küng.

Uit de Verenigde Staten, Ierland en nu ook uit Duitsland komen berichten over massaal seksueel misbruik van kinderen en adolescenten door katholieke geestelijken. Het feit dat de voorzitter van de Duitse bisschoppenconferentie, aartsbisschop Robert Zollitsch van Freiburg, de gevallen van misbruik ‘verschrikkelijke misdaden’ heeft genoemd en dat de conferentie als geheel op 25 februari in een verklaring vergiffenis aan de slachtoffers vroeg, zijn de eerste stappen om in het reine te komen met het onvergeeflijke wangedrag. Maar er moeten verdere stappen volgen. Bovendien bevat de verklaring van Zollitsch drie fouten, die weerlegd moeten worden.

Ten eerste de stelling dat seksueel misbruik door geestelijken niets te maken heeft met het celibaat.

Het kan niet ontkend worden dat het misbruik ook voorkomt in gezinnen, scholen, en kerken die het celibaat niet kennen. Maar waarom komt het zo bijzonder vaak voor in de katholieke kerk met celibataire leiders? Uiteraard is het celibaat niet de enige oorzaak van het wangedrag. Maar het is wel de belangrijkste – en het is structureel de meest doorslaggevende uiting van de strenge houding van de kerkelijke hiërarchie tegenover seksualiteit in het algemeen.

Een blik op het Nieuwe Testament maakt het duidelijk: Jezus en Paulus beoefenden het celibaat op voorbeeldige wijze in dienst van hun priesterschap, maar stonden elk individu verder complete vrijheid toe op dat vlak. Beschouwd vanuit de bijbel kan het celibaat alleen maar opgevat worden als een vrij gekozen roeping, niet als een algemeen toepasbare wet. Paulus sprak nadrukkelijk mensen tegen die de mening waren toegedaan dat „het goed voor een man is een vrouw niet aan te raken”, door te antwoorden: „Maar om seksuele immoraliteit te vermijden behoort elke man zijn eigen vrouw te hebben en elke vrouw haar eigen man” (1 Korinthiërs 7:1-2). Volgens de eerste brief aan Timotheüs, „moet een bisschop onberispelijk zijn, de man van één vrouw” (1 Timotheüs 3:2). Er staat niet: „de man van geen vrouw”.

Ten tweede dat het onjuist is om de gevallen van misbruik terug te voeren op een systeemfout binnen de katholieke kerk.

De celibaatsregel bestond praktisch niet tijdens het eerste millennium van de kerk. Hij werd in de elfde eeuw geïntroduceerd in het Westen door monniken (die in volle vrijheid voor het celibaat kozen) – in het bijzonder door paus Gregorius VII – en werd opgelegd in weerwil van hevig verzet van de geestelijkheid in Italië en Duitsland, waar het verzet zo hoog opliep dat slechts drie bisschoppen het aandurfden de Roomse wet op te leggen. Duizenden priesters protesteerden tegen de nieuwe wet.

De celibaatsregel – samen met het absolutisme van de paus en het verplicht klerikalisme – werd een van de centrale steunpilaren van het ‘Roomse systeem’. In tegenstelling tot geestelijken in de oosterse kerken, kwam de clerus in het Westen, vooral door het celibaat, totaal los te staan van de rest van de christelijke gemeenschap: een unieke en dominante sociale klasse die radicaal superieur was ten opzichte van de lekenbevolking, maar volledig ondergeschikt aan de paus in Rome. Het verplichte celibaat is de voornaamste reden voor het rampzalige tekort aan priesters tegenwoordig, voor de fatale verwaarlozing van de eucharistieviering en voor de tragische teloorgang van het persoonlijke pastorale priesterschap op veel plaatsen. Wat zou de beste oplossing zijn voor het probleem van de rekrutering van toekomstige priesters? Simpel: afschaffing van de celibaatsregel en de toelating van vrouwen tot de priesterwijding.

Ten derde: de bisschoppen hebben voldoende verantwoordelijkheid op zich genomen.

Uiteraard is het goed te horen dat er concrete maatregelen worden genomen om gevallen van misbruik aan de oppervlakte te brengen en om ze in de toekomst te vermijden. Echter, zijn de bisschoppen niet zelf verantwoordelijk voor de decennialange praktijk om gevallen van misbruik toe te dekken, waarbij ze vaak niet meer deden dan de misdadiger in het geheim een nieuwe standplaats geven. Zijn de wegmoffelaars van het verleden plotseling geloofwaardige ontmaskeraars geworden? Moeten geen onafhankelijke commissies worden opgericht om met dat soort gevallen om te gaan?

Tot nog toe heeft amper één bisschop zijn deel van de schuld op zich genomen, terwijl de bisschoppen perfect kunnen aanvoeren dat ze met hun doofpotoperaties gewoon de instructies van Rome volgden. Omwille van de discretie heeft de Vaticaanse Congregatie voor de Geloofsleer in het verleden de exclusieve juridische bevoegdheid opgeëist aangaande alle gevallen van seksueel misbruik door geestelijken, en dus zijn van 1981 tot 2005 al die gevallen op het bureau van haar prefect beland, kardinaal Ratzinger. Op 18 mei 2001 stuurde die nog een Epistula de delictis gravioribus aan alle bisschoppen ter wereld, een plechtige brief aangaande ernstige misdaden, met de vormen van misbruik die onder secretum Pontificium of ‘pauselijke geheimhouding’ vallen, op straffe van zware kerkelijke sancties. Heeft de kerk ook geen recht op een mea culpa van de paus, solidair met de bisschoppen? Dezelfde openheid waarmee de kerk momenteel eindelijk in het reine komt met het misbruik is nu aan de orde om de confrontatie aan te gaan met een van de voornaamste structurele oorzaken ervan: de celibaatsregel. De bisschoppen zouden dat nadrukkelijk moeten voorstellen aan paus Benedictus XVI.

Hans Küng is emeritus hoogleraar oecumenische theologie aan de universiteit van Tübingen. In 1980 ontnam het Vaticaan hem de kerkelijke leerbevoegdheid.