Een website voor Jezus

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Deze keer is hij in de religieuze stad Konya. Aflevering 5.

De wachter draagt een modieuze bril zonder montuur. Hij geeft een privérondleiding door het Mevlana-complex, centrum van de derwisjen die onder aanvoering van Jalal ad-Din Rumi, ook genaamd Mevlana, onze meester, meenden dat zij dansend dichter bij God konden komen.

De wachter zegt: „Het is meditatie”.

De derwisjen draaiden rondjes op één punt.

Als je dansend dichterbij Hem komt, dan ook schrijvend. Het is de vraag of Hij dat prettig vindt. Als ik God was, dan zou ik het op prijs stellen als de mensen zich discreet van mij zouden verwijderen.

„Hier moesten de aspirant-derwisjen wachten”, zegt de wachter. Hij wijst op een open kast. „Na drie dagen kreeg de aspirant-derwisj zijn schoenen terug, als de neuzen naar de deur wezen, moest hij gaan, wezen de neuzen zijn richting uit mocht hij blijven.”

Misschien moet ik een klooster beginnen voor aspirant-schrijvers. Zij kunnen dan zaken beschrijven die me na al die jaren niet meer boeien. De beschrijving van een berg bijvoorbeeld.

Konya, 250 kilometer ten zuiden van Ankara, schijnt de meest religieuze stad van Turkije te zijn.

In de ontbijtzaal van het hotel wacht Orçun Madanoc op mij. Hij is 31 jaar, kalend en heeft zachte ogen. Madanoc zegt: „Ik ben geboren als moslim in Izmir. Ik was gelovig, maar ik ging twijfelen. Alles ging mis in mijn leven, als ik een zoutvaatje vasthield, viel het uit mijn hand. Ik studeerde voor landbouwmachine-ingenieur. Bij toeval belandde ik in een kerk. Zo ben ik de Bijbel gaan bestuderen. In de Koran staan angstaanjagende dingen, maar de Bijbel bevat voornamelijk liefde. Mijn grootvader had een gebroken arm met etterende wonden. Ik heb tot Jezus gebeden en de arm genas. De doktoren stonden voor een raadsel. Op 10 november 2000 heb ik me tot het christendom bekeerd.”

Madanoc spreekt met de gedrevenheid van iemand die het licht heeft gezien.

„Ik vroeg me af”, zegt hij, „wat ik voor Jezus kon doen”.

„En?” vraag ik.

„Ik besloot een website voor Jezus te maken. Ik heb er uiteindelijk drie gemaakt. Volgens Google zijn ze in Turkije de meest populaire websites over Jezus. Mijn ouders vonden het niet erg dat ik christen werd, want de moslims in Izmir zijn vrij.”

Madanoc moet terug met de bus naar Izmir. Hij heeft acht uur gereisd om met mij te praten.

Ik voel me bezwaard en geef hem geld voor Jezus en de busreis.

(wordt vervolgd)