Die drempel moest omlaag

Wie zijn partner naar Nederland wil halen, hoeft niet langer aan de inkomenseis van 120 procent te voldoen.

Maar: nog meer van het Nederlandse migratiebeleid is in strijd met Europese regels.

De Marokkaan M. Chakroun woonde twee jaar in Nederland toen hij in 1972 trouwde met zijn vrouw. Zij bleef in Marokko wonen, terwijl hij hier als productiemedewerker werkte. In 2005 werd hij werkloos en een jaar later vroeg mevrouw Chakroun een verblijfsvergunning aan om bij haar man in Nederland te kunnen zijn. Die werd geweigerd omdat zijn werkloosheidsuitkering net iets lager was dan de vereiste 120 procent van het minimumloon.

Chakroun ging in hoger beroep. De zaak kwam uiteindelijk voor het Europese Hof van Justitie, en dat gaf het echtpaar vorige week gelijk. De inkomenseis, die nergens in de Europese Unie zo hoog is als in Nederland, is namelijk in strijd met het Europese recht op gezinshereniging.

Nu het Europese Hof Nederland hiervoor op zijn vingers tikte, maakte minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA) deze week in de Tweede Kamer bekend dat hij de eis van 120 procent laat vallen. Ook verdwijnt het onderscheid tussen mensen die al getrouwd waren voor ze naar Nederland kwamen (gezinshereniging) en mensen die een partner naar Nederland willen halen (gezinsvorming). Hirsch Ballin had geen andere keus dan zijn beleid aan te passen, zegt hoogleraar Kees Groenendijk, voorzitter van het bestuur van het Centrum voor Migratierecht van de Radboud Universiteit Nijmegen: „De uitspraak van het Hof is helder en bevat een duidelijke boodschap aan de Nederlandse regering, die de Europese regelgeving jarenlang heeft genegeerd.”

Groenendijk denkt dat ook andere aspecten van het Nederlandse beleid op de schop moeten, omdat er meer zaken in strijd zijn met Europese regelgeving. Bijvoorbeeld de leeftijdsgrens van 21 jaar die Nederland hanteert, of de taaltoets die mensen in hun eigen land moeten afleggen om naar Nederland te mogen komen. „Het recht op gezinshereniging is in Europese wetgeving vastgelegd. Het is juridisch niet mogelijk om mensen bij voorbaat uit te sluiten.”

Toch zei Hirsch Ballin nog achter de brief te staan die hij eind vorig jaar naar de Tweede Kamer stuurde, waarin hij zelfs nog een verdere verscherping van de regels aankondigde. Volgens dat kabinetsvoorstel worden huwelijken tussen neef en nicht niet langer erkend en komt er ook een minimum opleidingseis voor migranten. Verder wil het kabinet het niveau van de taaltoets bij het inburgeringsexamen verder verhogen. Groenendijk zegt daarover: „Uitsluiting op grond van opleiding of een neef-nichthuwelijk laat de EU-richtlijn al helemaal niet toe.” De Tweede Kamer besluit deze week nog of de besluiten hierover controversieel worden verklaard, of doorgezet kunnen worden.

Het kabinet wil met het strengere beleid gedwongen uithuwelijken en een achterstand op het gebied van emancipatie en integratie tegengaan. De vraag is echter of de voorgenomen maatregelen daar werkelijk toe zouden leiden. Onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie toonde geen directe relatie aan tussen huwelijksmigratie en gedwongen uithuwelijking. Uithuwelijking komt bovendien ook voor tussen partners in Nederland, evenals huwelijken tussen neven en nichten. Uit hetzelfde onderzoek bleek ook dat jongeren die een partner uit het buitenland willen halen, vaak stoppen met hun opleiding om te gaan werken en zo aan de inkomenseis te kunnen voldoen. Dat heeft dan juist een negatief effect op integratie.

Betere integratie en emancipatie van huwelijksmigranten bereik je niet door strenger toelatingsbeleid. Dat zegt Sabine Kraus, beleidsmedewerker van E-quality, kenniscentrum over emancipatie, gezin en diversiteit. Volgens Kraus legt Nederland ten onrechte de nadruk op het streven naar zo min mogelijk huwelijksmigranten. „Je kunt gezinshereniging niet voorkomen, daar moet je als land ook niet op focussen. Als je integratie en emancipatie wilt bevorderen, moet je huwelijksmigranten een passend traject bieden. Zo is effectiever te voorkomen dat een beroep wordt gedaan op sociale voorzieningen.”

Kraus vindt dat er te weinig aandacht is voor de mogelijkheden van migranten, die vaak in eigen land al een opleiding hebben gehad. „Vrouwen worden in een traject voor huisvrouwen gestopt, terwijl de meeste erg gemotiveerd zijn om te leren en te werken. Daarop inspelen zou een betere strategie zijn om de doelstellingen van het kabinet te bereiken.”